ECD succesvol tegen wapenhandel ondanks amateurisme

ROTTERDAM, 18 JAN. Wat een kardoes was (een kruitzak), wist hij niet. Evenmin hoe de gifgascomponent dimethyl fosfiet eruit zag. Wim Alingh, adjunct-recherchechef en hoofd van de afdeling strategische goederen van de Economische Controledienst (ECD), had zich tot eind 1980 vooral onledig gehouden met de jacht op koppelbazen.

Een van zijn rechercheurs was militair wapeninstructeur geweest en twee anderen volgden een cursus chemie, maar daarmee bleef de "materiekennis' van Nederlands meest internationaal werkende opsporingsdienst "veel te beperkt'. De eind 1980 opgerichte afdeling strategische goederen, eerst acht en later twaalf man sterk, was bovendien een "te kleine eenheid met een te grote taak'. “We waren soms amateuristisch bezig.”

Desondanks bestreed Alingh (60), deze maand vervroegd uitgetreden, tien jaar onvervaard de illegale handel van Nederlandse wapenexporteurs. Velen bleken "mee te profiteren' van de oorlog tussen Iran en Irak. De optische industrie Oude Delft (Oldelft), Philips-dochter Hollandse Signaal Apparaten (HSA) en Muiden Chemie leverden door ontduiking van de exportbepalingen nachtkijkers, onderdelen voor vuurgeleidingssystemen en kruit aan beide "spanningsgebieden' - voor tientallen of honderden miljoenen guldens.

Menigmaal betraden Alingh en de zijnen op maandagochtend onaangekondigd een directiekamer met de woorden: “U bent nu even geen directeur meer. We gaan uw bedrijf doorzoeken.” Dat diezelfde bedrijven of directeuren na jarenlange onderzoeken en juridisch touwtrekken verhoudingsgewijs lage boetes, variërend van 25.000 tot 900.000 gulden, of voorwaardelijke celstraffen kregen opgelegd, doet aan Alinghs voldoening weinig af.

“Ik kan geen bedrijf in dit genre bedenken dat wij geen beurt hebben gegeven. We hebben de ergste excessen bestreden”, zegt Alingh, voormalig hoofdagent te Rotterdam en vanaf 1967 werkzaam bij de ECD. “Nederland is geen wapenproducerend land, maar is meer actief in onderdelen en componenten. In die tak hebben wij met een tiental strafzaken maximaal gescoord, ondanks de vele handicaps.”

Het werk van het groepje speurders in het labyrint van de internationale wapenhandel blijft "een beetje donquichotterie'. Ze mogen het Uitvoerbesluit strategische goederen dan door en door kennen en weten voor welk land een exportvergunning wel of niet vereist en verstrekt is, de taxatie van de wapensystemen, geavanceerde computers en vijftig gifgascomponenten, die in dat uitvoerbesluit genoemd worden en waarvoor bij export een vergunning nodig is (voor chemicaliën alleen buiten de EG), stelt hen dikwijls voor raadsels.

“We hebben vaak aan de grens gestaan dat we totaal niet wisten met voor een lading, in vaten, kisten of kratten, we geconfronteerd werden.” Vooral de beoordeling van zogeheten dual-use-goederen als een geslepen lens, zowel civiel als militair bruikbaar, is een probleem. Sommige chemicaliën zijn geschikt voor de produktie van tandpasta èn gifgas, zo bleek tijdens onderzoeken tegen kleinere bedrijven die aan Irak en Iran hadden geleverd. Bewust of onbewust vage aanduidingen op documenten en goederen als spare parts of technical equipment bemoeilijken de beoordeling nog verder.

Zelf tastte Alingh enkele jaren geleden mis door - ten onrechte - een Iraans schip in de Rotterdamse haven vast te houden, dat verdachte kanonpijpen aan boord had. Een claim van 10.000 gulden volgde - de enige troost was dat ook een geconsulteerde militair deskundige zich vergist had. In de HSA-affaire leunden ECD en justitie bij de bewijsvoering juist op een verklaring van een ingenieur bij de marine, die meende dat de aan Iran geleverde zogeheten printplaten voor militaire toepassing waren gemaakt.

“Chemicaliën zijn voor ons de moeilijkste factor. Iemand die een component voor gifgas in een vat doet met een ander etiket erop, komt er aan de grens doorheen. Tenzij een ambtenaar een laboratorium-onderzoek laat doen, maar dan moet hij wel eerst aanwijzingen hebben. De ECD zou zelf ingenieurs moeten hebben.”

De dienst roept vaak de hulp in van ingenieurs van het ministerie van economische zaken, waar de ECD onder ressorteert, van militairen of van TNO. Het inwinnen van dergelijke expertise kost niet alleen tienduizenden guldens, maar werkt ook in hoge mate vertragend. Het gemis van een eigen observatie-eenheid en afluisterapparatuur verkleint de armslag nog meer. En verzoeken om personeelsuitbreiding zijn de afgelopen jaren wegens geldgebrek niet ingewilligd.

“Op Economische Zaken heeft men niet altijd een hoge pet op van de opsporing. Wij zitten als bijzondere opsporingsdienst bij een vakdepartement, soms als vreemde eend in de bijt. Op Economische Zaken denkt men meer aan de economische en sociale belangen van het Nederlandse bedrijfsleven, terwijl wij soms juist de strijd aanbinden met het bedrijfsleven.”

Het draaiboek voor de huiszoeking bij Oude Delft op maandag 21 februari 1983, de eerste grote zaak van de afdeling, zette Alingh in één dag in elkaar. Op zaterdag kreeg hij thuis een telefoontje van een Engelse douane-ambtenaar die vertelde dat het Delftse bedrijf grote partijen nachtkijkers naar Portugal sluisde, "zozeer dat iedere Portugees wel met zo'n ding op straat kon lopen'. De leveranties wekten te meer bevreemding doordat op exportdocumenten behalve Portugal ook Tanzania als eindbestemming stond vermeld. Om, naar later bleek, het Nederlandse exportverbod op Irak te omzeilen.

Zondagmiddag kwam Alingh met een aantal medewerkers bijeen om de inval voor te bereiden en 's avonds reed hij naar Delft om de ligging van het bedrijf in ogenschouw te nemen. De volgende ochtend om negen uur ging hij met een équipe van 36 man naar binnen. President-directeur dr.ir. S. Duinker verstijfde toen Alingh in de directiekamer de bestuursvergadering onderbrak, en meedeelde dat alle "stekkers eruit gingen' en dat het personeel op zijn plaats moest blijven.

Bij een achteruitgang betrapten de bezoekers bij toeval een personeelsmedewerker die met een aktentas vol paperassen wilde vluchten. Het waren de contracten die Oude Delft met Irak had afgesloten voor de levering van de nachtkijkers; ten bedrage van zo'n 400 miljoen gulden.

Daarmee was het bewijs in deze kwestie nog niet geleverd. Al snel openbaarde zich de complexiteit van de zaak, die model zou staan voor latere affaires. De speurtocht naar bewijs vergt steeds onderzoek in het buitenland, waarvoor weer kennis van internationale wetgeving en financiële expertise vereist is. Tips voor onderzoeken komen niet voor niets veelal van buitenlandse douane-, politie- en inlichtingendiensten.

Alingh: “In de internationale wapenhandel is er een contractlijn, een geldlijn en een goederenlijn. Die drie lijnen lopen nooit parallel. Alleen al het vaststellen van de goederenlijn is een karwei, bijvoorbeeld wanneer een schip in een volgende haven andere papieren krijgt, en we de medewerking van scheepvaartmaatschappijen nodig hebben. Als je de goederenlijn eenmaal te pakken hebt, stuit je weer op een betalingsstroom via een ander land, waardoor het zicht op de zaak plotseling vermindert.”

Zo bleken er in het Oldelft-onderzoek ook contracten afgesloten met een speciaal voor de Iraakse zendingen opgericht bedrijf te Lissabon - met medewerking van de Portugese overheid, liepen er betalingen naar de Bahama's waarvan de ontvanger nooit werd vastgesteld, en gingen de goederen zelf via "omleidingslanden' als Engeland en Portugal naar Irak.

Met een collega toog Alingh naar het Portugese bedrijf in Lissabon en snoof de geur van corruptie op. Ze werden in een kantoortje ontvangen door een oud-kolonel met achter zich een kluis. Hij verzekerde hen dat de kluis "militaire geheimen' bergde en dicht moest blijven. Uiteindelijk wisten de rechercheurs bij een bank toch gegevens los te peuteren. Maar voordat deze officiële stukken vanuit Portugal naar de ECD in Den Haag werden opgestuurd, was er een jaar verstreken.

Zulke "storingen in de internationale samenwerking' waren niet eenmalig. Jaren later was Alingh opnieuw in Portugal voor het onderzoek naar de kruitleveranties van Muiden. De ECD wilde bewijzen dat het kruit uit Nederland in een Portugees staatsbedrijf in granaten werd gestopt, die daarna naar Iran werden verscheept; een van de naar schatting acht routes die Muiden had gebruikt. Pas na dagenlang wachten en tussenkomst van de Nederlandse ambassadeur dr. C.A. van der Klaauw werden Aling met zijn collega ontvangen in het hoofdkantoor van de douane, waar de gastheren nauwlettend in hun buurt bleven.

Slechts één ogenblik verlieten zij de kamer om "koffie te halen' en dat was voor de twee rechercheurs voldoende om bewijsmateriaal te verzamelen. Razendsnel bladerden zij een dossier door en konden zo, gesteund door hun kennis van de scheepsroutes uit het zogeheten Lloyd's Register, vaststellen dat de granaten inderdaad per schip naar Iran waren gegaan.

Dergelijk "geluk' ten spijt bleef het in vele onderzoeken moeilijk te bewijzen dat de bedrijven willens en wetens aan Irak of Iran hadden geleverd. Deze landen waren niet toegankelijk voor de ECD en in de "omleidingslanden' was de medewerking beperkt, terwijl de Nederlandse bedrijven op hun beurt weer op de eigen verantwoordelijkheid van de omleidingslanden wezen. “Wat de Portugezen doen, moeten de Portugezen weten”, was de vaak gehoorde reactie van directeuren.

“Het gebruik van draaischijflanden is de tactiek en voor ons een grote frustratie. Ogenschijnlijk doen de bedrijven het clean tegenover de Nederlandse overheid door vergunningen voor die landen aan te vragen. En omleidingslanden als Griekenland en Portugal werken ons tegen. Dat leidt tot jarenlange vertragingen.”

Dat de rechter Oldelft vrijsprak van de Portugal-lijn omdat de toelichting op de aanvraagformulieren voor de exportvergunning niet expliciet vereiste dat de eindbestemming moest worden vermeld en dat alleen boetes volgden voor de illegale zending via Engeland en Tanzania, deert Alingh niet. Maar een "sterke zaak' als die tegen Eurometaal uit Zaandam, dat volgens de verdenkingen granaathulzen via Oostenrijk naar Iran had geleverd, eindigde tot zijn spijt in volledige vrijspraak. “Ook aan de vakbekwaamheid bij justitie op dit terrein kan nog een hoop worden verbeterd.”

Van de moraliteit bij wapenexporteurs heeft Alingh altijd de minste sporen gevonden. De gevolgen van hun nering waren voor hen "onbespreekbaar'. Een jaar geleden kreeg hij de wind van voren, toen hij vlak voor Kerstmis huiszoeking deed in de woning van de directeur van een Brabants veredelingsbedrijf, verdacht van het leveren van onderdelen voor het Iraakse superkanon. “Zo Alingh, ben je daar met je zootje werklozen uit Den Haag”, zei de directeur op de stoep van zijn villa. En vroeg waar Alingh de moed vandaan haalde "de Kerstsfeer te komen verzieken'.

Alingh: “Van kruit kook je geen soep. Anders zit je niet in deze business. Maar een leverantie voor defensieve doeleinden is wat anders dan een zending naar spanningsgebieden. De mensen in deze handel hebben geen principes. Ze omzeilen het vergunningenstelsel, verdienen daaraan en houden er werkgelegenheid mee in stand of vergroten die via het illegale circuit.”

Zijn de hoogtijdagen van de illegale wapenexport uit Nederland nu voorbij?

“Zo levendig als het in de jaren tachtig is geweest door de oorlog tussen Irak en Iran, zal het niet snel meer worden. Die rol van Nederland zal voorlopig afnemen. Maar de handel zal altijd weer opbloeien zodra er spanningsgebieden zijn. Nu de as Oost-West is weggevallen, kan die van Noord-Zuid belangrijk worden. Wat doet een man als Gaddafi? Wil hij atoomenergie en chemische wapens?”

De ECD zal een "klein radertje' blijven. “Met grote zaken voor de maaimachine. Soms te groot.”