De onderwijs-enquête...en de schrik van Ritzen

NIET HET VOLK heeft gesproken in de onderwijsenquête die deze krant publiceerde, maar bijna 7.000 hoog opgeleide, bij het onderwijs betrokken mannen en vrouwen.

Dit gegeven tekent zowel de zwakte als de kracht van de enquête waarvan donderdag de resultaten bekend werden. Ze ontberen elke representativiteit voor de meningen van de gehele bevolking over onderwijs, maar daar is vanaf het begin van het project ook geen enkele aanspraak op gemaakt. Anderzijds is de mening van de grote groep leraren en leden van medezeggenschapsraden en schoolbesturen die reageerden belangrijk voor de beeldvorming over het onderwijs. Bovendien hebben beleidsmakers hun medewerking nodig om de talrijke plannen die op stapel staan tot een succes te maken. Dat de grote betrokkenheid van de deelnemers ongeïnformeerde en soms zelfs dwaze meningen niet uitsluit, geeft het debat de charme van het beraad bij de dorpspomp.

Het was dan ook niet voor niets dat minister Ritzen veel tijd uittrok om op de uitkomsten te reageren. Hij verbond aan de resultaten niets minder dan een politiek oordeel-op-termijn. Wanneer aan het eind van deze kabinetsperiode het overheidsbeleid met dezelfde grote meerderheid wordt afgekeurd (twee maal tachtig procent), beschouwt Ritzen zijn beleid om het vertrouwen tussen Zoetermeer en onderwijs te herstellen als mislukt. De deelnemers aan de enquête in deze krant zijn dus door de minister uitgenodigd zo'n twee maanden voor de volgende verkiezingen het formulier nog eens in te vullen en daarmee vonnis te spreken.

DE REST van het commentaar van Ritzen maakt het hoogst twijfelachtig of de score dan gunstiger zal uitpakken. Het beleid gaat door, maar het wordt uitleggen, uitleggen en nog eens uitleggen, zo kondigde de minister aan. De afwijzende reacties op hoofdonderdelen van beleid zoals de basisvorming en de schaalvergroting tonen echter aan dat de plannen zelf weerstand oproepen. Het uitgebreide uitleg-offensief over de basisvorming de laatste maanden heeft juist nieuwe bronnen van weerstand van de direct betrokkenen aangeboord.

De afwijzingen van brede scholengemeenschappen en uitstel van selectie komen na jaren van discussie, publiciteit en uitleggen. Kennelijk wil men eerder rust dan (nog) meer voorlichting. Overigens hebben de bewindslieden gelijk als ze hierop antwoorden dat de maatschappij verandert, en het onderwijs dus mee moet veranderen. Maar dat vereist dan wel een heldere aanpak. Blijkens de antwoorden op de vraag naar de grilligheid van het beleid, bestaat die nog steeds niet.

DE SCHRIK van Ritzen over de hoge percentages bij de afwijzing van het onderwijsbeleid, en over het mijdingsgedrag van Nederlandse ouders tegenover scholen met veel allochtone leerlingen, geeft aan dat de belevingswereld van de bewindsman nog steeds voornamelijk bestaat uit de studeerkamer en vergaderruimtes.

De onvrede over het onderwijsbeleid in de schoolklas en het omzeilen van "zwarte' scholen zijn dagelijks in de praktijk waar te nemen en in het nabije verleden uitvoerig gedocumenteerd.

Ook om andere reden heeft de schrik van Ritzen over de keuze van ouders in de enquête tegen "zwarte scholen' een wat onwezenlijk karakter. In de eerste plaats gaat het om hoogopgeleide ouders die waarschijnlijk in wijken wonen waar ze nooit echt voor de keuze komen te staan. Dat geeft de discussie over dit punt een wat academisch karakter. Ten tweede geeft Ritzen niet duidelijk aan wat hij tegen dit gedrag wil doen. Gedwongen integratie per schoolbus zoals in de Verenigde Staten, zegt hij af te wijzen. Betreft zijn opmerking dan een moreel oordeel over de ouders?

Ritzen sprak over een vooroordeel, omdat niet is bewezen dat "zwarte scholen' slechte scholen zijn. Een onderzoek van de Leidse universiteit dat deze week in de publiciteit kwam, sprak hem juist op dit punt tegen. Daarin werd geconstateerd dat de “problematische kwaliteit” van scholen met veel allochtone leerlingen een van de oorzaken vormt van de stichting van islamitische scholen.

UIT DE UITKOMSTEN van de enquête spreekt een zeker enthousiasme voor plannen om het onderwijs en de onderwijsgevende meer eigen verantwoordelijkheid te geven. Zo krijgen vragen naar de wenselijkheid van meer invloed van de ouders op de openbare school en van beloning die rekening houdt met de eigen prestaties, veel instemming. Willen ouders en leraren echter een grotere rol in het onderwijs gaan spelen, dan verplicht dat tot het doordenken van enkele belangrijke vragen die de resultaten van de enquête oproepen. Tot welke prijs wil men dure kleine scholen en kleine groepen handhaven? Ook als dat betekent dat er geen computers ingevoerd kunnen worden? Hoe willen leraren uitzicht krijgen op een afwisselend bestaan binnen de school met verschillende functies zonder dat die scholen worden vergroot? Ook brengt een grotere eigen verantwoordelijkheid een voortdurende toetsing met zich van de eigen activiteiten aan de maatschappelijke verwachtingen. De in het onderwijs veel gehoorde roep om rust wordt anders de roep om het graf.

OOK VOOR Ritzen en Wallage kan de voorkeur voor grotere eigen verantwoordelijkheden actueel worden. Er zijn tekenen dat de stapeling van plannen in het voortgezet onderwijs - meer eigen verantwoordelijkheid bij het personeelsbeleid (formatiebudgetsysteem), basisvorming, fusies, nieuwe inrichting van de examenpakketten - leidt tot problemen bij de invoering. Het zou de bewindslieden sieren als ze, eenmaal gedwongen tot een keuze welke plannen voorrang moeten krijgen, hun centralistische drang op afstand zouden weten te houden. Maatregelen die volwassen gedrag van het onderwijs zelf mogelijk maken zoals het formatiebudgetsysteem, zouden dan prioriteit moeten krijgen.