DARWINS GEHEIM; Waarom de evolutietheorie twintig jaar werd achtergehouden

Darwin door Adrian Desmond en James Moore 807 blz., Michael Joseph 1991, f 75,80, ISBN 0 7181 3430 3

One Long Argument. Charles Darwin and the Genesis of Modern Evolutionary Thought door Ernst Mayr 195 blz., Allen Lane 1991, f 68,15 ISBN 0 713 99079 1

Op 17 september 1842 verhuist Charles Darwin van Londen naar Down, een gehucht van 444 zielen in Kent. Aan een oude bediende schrijft hij: ""Dit zal mijn adres zijn voor de rest van mijn leven.'

Darwin is op dat moment nog maar 33 jaar en een van Engelands veelbelovende jonge geologen. Het verslag (Journal of Researches) van zijn vijfjarige wereldreis als naturalist aan boord van het topografische opmetingsschip H. M. S. Beagle is uitstekend ontvangen. Zijn tweede boek, The Structure and Distribution of Coral Reefs (met daarin onder meer de juiste verklaring voor het ontstaan van atollen), ligt net een paar maanden in de boekhandel. Hij is volwaardig lid van onder meer de Royal, de Zoological en de Geological Society.

Maar in plaats van zich verder op te werken in de wetenschappelijke wereld, trekt hij zich terug op het platteland. Londen maakt hem ziek en hij verlangt ernaar om in alle rust te kunnen werken. Aan het verder beschrijven en catalogiseren van de oogst van de Beagle-reis, maar vooral ook aan het ontwikkelen van een revolutionair denkbeeld dat hij in het diepste geheim koestert en waarover hij al vijf jaar eerder, kort na terugkomst, zijn eerste aantekenboek heeft geopend: het idee van evolutie door natuurlijke selectie.

Inderdaad zal Darwin, precies zoals aangekondigd, tot aan zijn dood in Down domicilie houden. Het grootste deel van deze tijd brengt hij door in hoogst beroerde fysieke staat, lijdend aan een onduidelijke aandoening van het autonome zenuwstelsel die zich vooral uit in maagproblemen. Bijna voortdurend moet zijn vrouw Emma hem verplegen en lange periodes kan hij maar enkele uren per dag werken. Daar staat tegenover dat het gezin materieel weinig of geen zorgen kent: het beheer van een aanzienlijk, van zijn vader geërfd kapitaal stelt Darwin ruim in staat zijn kinderrijke gezin in welstand te houden.

Ook belet zijn wrakke gezondheid hem niet, in de veertig jaar die hem rest, een ongelooflijke wetenschappelijke produktie te leveren. Niet alleen legt hij de grondslag voor de moderne evolutietheorie, maar hij vestigt zich ook als taxonoom en systematicus van naam en grondvest en passant ook nog enkele andere compleet nieuwe wetenschapsgebieden, zoals de ecologie en de biogeografie.

GODSDIENST

Vanuit twintigste-eeuws perspectief is nog maar moeilijk voorstelbaar hoe immens de intellectuele omwenteling is geweest die zich met Darwins Origin of Species heeft voltrokken. De biochemie heeft ons de moleculaire eenvormigheid geopenbaard achter de verbijsterende vormenrijkdom in de natuur, een eenvormigheid die alleen uit afstamming van gemeenschappelijke voorzaten kan worden verklaard. De genetica en de moleculaire biologie hebben ons de mechanismen aangereikt voor het ontstaan en de instandhouding van genetische variatie, terwijl het optreden van natuurlijke selectie - de differentiële overleving en voortplanting van individuen met beter aangepaste genencombinaties - zowel in het veld als in het laboratorium is aangetoond. Evolutie, kortom, is in onze tijd geen theorie meer maar een feit.

Darwin daarentegen moest het niet alleen zonder de moderne genetica en populatiebiologie stellen, hij moest ook optornen tegen immense ideologische weerstanden. De implicaties van zijn theorie reikten veel verder dan de biologie alleen. Het idee dat al het leven op aarde afstamt van een gemeenschappelijke oervorm hield in dat ook de mens was geëvolueerd uit lagere levensvormen, en voor naturalisten uit het midden van de negentiende eeuw stond dit gelijk met ketterij.

Wie was deze teruggetrokken man die, geheel op eigen kracht en tegen alle wetenschappelijke, maatschappelijke en religieuze conventies in, zijn gedurfde theorie in verbazend korte tijd door het overgrote deel van zijn vakgenoten aanvaard wist te krijgen? Langs welke weg kwam hij tot zijn theorie en welke strategieën volgde hij om zijn tijdgenoten van de juistheid ervan te overtuigen? Zelf geeft Darwin in zijn (overigens zeer leesbare) Autobiography op deze vragen maar zeer gebrekkig antwoord. Dit geschrift, enkele jaren voor zijn dood geschreven voor de kleinkinderen, bagatelliseert het revolutionaire karakter van de evolutiethese en kleineert zijn rol. Voor werkelijk inzicht in de man en zijn theorie moet men niet bij Darwin zelf te rade gaan maar bij historici en biografen.

Die hebben inmiddels een indrukwekkende hoeveelheid studies bij elkaar geschreven. In de wetenschapsgeschiedenis is al een kwart eeuw sprake van een ware "Darwin-industrie' en de laatste vijftien, twintig jaar verschijnt er elk jaar wel weer een lijvige, wetenschappelijke dan wel populaire, levensbeschrijving.

"NETELIGE VRAGEN'

Maar die produkten zijn, zo schrijven Adrian Desmond en James Moore in de inleiding tot hun nieuwe biografie Darwin, stuk voor stuk ""merkwaardig bloedeloze affaires', waarin ""weinig nieuw terrein' wordt aangeboord en ""geen verbindingen worden gelegd met de hete hangijzers en gebeurtenissen van Darwins dagen'. Zulks in schrille tegenstelling tot hun eigen boek, waarin eindelijk ook ""de netelige vragen' worden gesteld en de kluizenaar uit Down als een ""produkt van zijn tijd' wordt afgeschilderd.

Een dergelijke introductie getuigt niet bepaald van bescheidenheid, maar prikkelt wel de nieuwsgierigheid. Kunnen de auteurs hun niet geringe pretenties inderdaad waarmaken? Na het lezen van hun ruim 800 pagina's dikke blockbuster kan die vraag alleen maar met een instemmend "ja' worden beantwoord. Darwin is niet alleen een verslavende page-turner, maar inderdaad tevens de rijkste en volledigste bron over het leven van Darwin die tot nu toe is verschenen. Geen andere biografie geeft een zo nauwgezet verslag van Darwins intellectuele ontwikkelingsgang en brengt hem tegelijkertijd als mens zo dichtbij.

Desmond en Moore trokken maximaal profijt van de geweldige hoeveelheid nieuw materiaal die het afgelopen decennium door een grote schare Darwin-vorsers naar boven is gebracht. Darwin bewaarde vrijwel alles wat hij schreef, inclusief notities in de marge van artikelen van anderen. Zijn correspondentie (er zijn 14.000 brieven van en aan hem bewaard) wordt sinds 1985 op voorbeeldige wijze uitgegeven. Bovendien is sinds 1987 de definitieve transcriptie beschikbaar van Darwins belangrijke, maar zeer moeilijk ontcijferbare notitieboeken. Dit materiaal, gevoegd bij de al langer bekende bronnen, maakt het mogelijk om Darwins leven en denken zeer nauwkeurig (bijna van dag tot dag) te volgen. Wetenschapshistorici maken in hun publikaties van deze goudmijn al geruime tijd gebruik, maar Desmond en Moore zijn de eersten die zich waagden aan een synthese in de vorm van een nieuwe biografie.

JEUGDLIEFDE

De basisfeiten uit de levensloop van Darwin zijn natuurlijk al sinds jaar en dag bekend. Zijn afgebroken medische studie in Edinburgh, zijn ommezwaai tot theologie in Cambridge onder invloed van zijn vader. Zijn vroege liefde voor natuurlijke historie, de buitenkans om als naturalist mee te mogen reizen aan boord van de Beagle. De vinken, schildpadden en spotvogels op de Galápagoseilanden, de conceptie van de theorie van evolutie door gezamenlijke afstamming. De lectuur van Malthus' Essay on the Principle of Population en het idee van natuurlijke selectie. De onverwachte scoop door Alfred Russel Wallace, de gedeelde prioriteit, de publikatie van de Origin. De straatvechtersmentaliteit van medestander "bulldog' T. H. Huxley en Darwins eigen hartgrondige afkeer van controverses. Deze ijkpunten vormen de ruggegraat van elke biografie en Darwin vormt daarop geen uitzondering.

De grote verdienste van Desmond en Moore is echter dat zij zich in hun beschrijving niet beperken tot de overbekende episodes, maar de minder bekende even ruime aandacht geven. De microscoop waardoor zij Darwins levensloop bekijken, heeft over de hele linie nagenoeg dezelfde vergroting. Bovendien, en daarin onderscheiden zij zich het opvallendst van hun voorgangers, plaatsen zij Darwins leven en denken op een zeer verhelderende manier tegen de maatschappelijke en religieuze achtergrond van zijn tijd.

Bij veel wetenschappelijke onderzoekers zou dit laatste maar weinig licht werpen op hun ontwikkelingsgang. Zo niet bij Darwin. In het Engeland van het begin van de vorige eeuw was het vakgebied van de natuurlijke historie in hoge mate met godsdienstige dogma's doordrenkt. Vrijwel alle vooraanstaande biologen waren creationisten, en de gedachte dat biologische soorten onveranderlijk en gefixeerd waren werd door niemand (een zonderling daargelaten) in twijfel getrokken. De ideologische oppositie tegen een evolutietheorie zou dus niet alleen onder het lekenpubliek, maar ook in de wetenschappelijke arena zelf in alle hevigheid losbranden.

Darwin was zich daar vanaf het eerste begin als geen ander van bewust. In 1837, een jaar na terugkeer van de Beagle, beschikte hij weliswaar al over een grote hoeveelheid argumenten voor het bestaan van evolutie en een jaar later, na lezing van Malthus' Essay, over het mechanisme (natuurlijke selectie), maar voor hij zijn ideeën in druk durfde prijsgeven liet hij maar liefst twintig jaar verstrijken.

De beschrijving van die twee decennia van zwijgzaamheid vormt het fascinerende middenpaneel van het boek. Desmond en Moore maken duidelijk waarom vroege publikatie zou zijn neergekomen op wetenschappelijke suïcide.

Het door de Anglicaanse kerk gedomineerde universitaire en politieke klimaat maakte serieuze overweging, laat staan acceptatie van de evolutietheorie onmogelijk; de enkelingen die in deze jaren met evolutionaire denkbeelden (zonder mechanisme) op de proppen kwamen, werden ongenadig neergesabeld. Zo onbespreekbaar was de gedachte aan de veranderlijkheid van soorten, dat hij haar jaren angstvallig geheim hield. Toen hij uiteindelijk zijn jonge collega Joseph Hooker, een botanicus, voorzichtig op de hoogte stelde, vergeleek hij zijn ontboezeming met ""het bekennen van een moord'.

EENDEMOSSELEN

Darwin begreep dat hij zijn tijd moest beiden. Hij wist dat hij, om zelfs maar de mildste skeptici te overtuigen, moest aankomen met een overdaad aan empirisch bewijsmateriaal en argumenten. Hij schreef twee voorlopige manuscripten over het "vraagstuk van de soortsvorming' (in 1842 en 1844), maar liet deze vervolgens liggen om zich acht jaar lang te wijden aan een uitputtende taxonomische, morfologische en embryologische studie van fossiele en moderne eendemosselen. De ervaring die hij hiermee opdeed en de onuitputtelijke variatie die hij in deze diergroep waarnam, prepareerden hem verder voor de taak van het schrijven van de Origin of Species.

Het boeiende is dat hij zich onderwijl niet beperkte tot het passief afwachten van een geschikter klimaat. Integendeel, hij zette een subtiele beïnvloedingscampagne in gang door enkele van zijn jonge vakgenoten (te beginnen met de botanist Joseph Hooker) in vertrouwen te nemen en met argumenten te bestoken. Darwin peilde en sondeerde, liet proefballonnen op en scherpte zijn argumenten op de skeptische tegenwerpingen van zijn collega's. Hij wilde niets liever dan een revolutie teweegbrengen, maar dan wel een zonder bloedvergieten en met een maximale kans van slagen. Dat kon allen door scherp te calculeren wie hij wel en wie hij niet over de streep zou kunnen weten te treken.

In september 1854, na de publikatie van het 684 pagina's dikke tweede deel van zijn monografie over levende eendemosselen (Cirripedia), begint hij opnieuw zijn aantekeningen te ordenen over de soortenkwestie. Hij doet experimenten inzake de overleving van zaden in zout water en steekt bij duivenmelkers zijn licht op over kunstmatige selectie.

In 1856 begint het klimaat te rijpen. In de politiek zetten de industriëlen en de liberalen, voor wie economische "struggle for life' allerminst een vloekwoord is, steeds meer de toon. In de natuurlijke historie is een groepje beeldenstormers onder leiding van T. H. Huxley doende om het wetenschappelijke gehalte van het vakgebied op te krikken, onder meer door campagne te voeren tegen de aartsconservatieve vergelijkend anatoom Richard Owen. Het zijn rebels op zoek naar een cause en het is Darwin die hun deze zal geven.

BOM DOOR DE BRIEVENBUS

In april 1856 zet Darwin zich eindelijk aan het schrijven van zijn "grote soortenboek'. De rest van het verhaal is bekend: het boek dijt al maar uit en in juni 1856 valt er een bom door de brievenbus in de vorm van een brief van Alfred Russel Wallace. Wallace had, ziek liggend onder een boom op de Molukken, onafhankelijk een evolutietheorie geformuleerd, praktisch identiek aan die van Darwin. Hij schreef uitgerekend aan Darwin of deze hem met de publikatie van zijn korte manuscript wilde helpen. Darwin is verpletterd, maar zijn vrienden lossen de zaak op met een gezamenlijke korte publikatie, voorgelezen op een vergadering van de Linnaean Society. Darwin stort zich haastig in het schrijven van een "samenvatting' van zijn soortenboek, die een jaar later onder de titel On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the preservation of favoured races in the struggle for life verschijnt.

De fascinerende periode tussen de Beagle en de Origin wordt door Desmond en Moore ronduit meesterlijk beschreven. En dat is dan nog maar een van de hoogtepunten uit een boek dat leest als een roman en van begin tot eind boeit. De auteurs veroorloven zich in hun beschrijving de nodige vrijheden en deinzen niet terug voor psychologiserende interpretaties. Hun woordkeuze is dramatisch en soms tamelijk zwaar aangezet. Toch gaan ze steeds net niet over de schreef, en bovendien zijn alle bronnen rijkelijk gedocumenteerd en via het notenapparaat te controleren.

Als bron over het leven van Darwin en diens relatie tot zijn tijd kan Darwin niet krachtig genoeg worden aanbevolen. Maar als weergave van de ontwikkeling van zijn gedachtengoed bevredigt het boek minder. Dat kan men de auteurs ook bezwaarlijk kwalijk nemen, want een biografie is nu eenmaal geen ideeëngeschiedenis.

GERIJPTE BESCHOUWING

Toevallig is er vrijwel tegelijkertijd met Darwin juist zo'n ideeëngeschiedenis verschenen. Het heet One Long Argument en is geschreven door Ernst Mayr, vader van het moderne soortsbegrip en een van de vijf belangrijkste evolutiebiologen sinds Darwin. Mayr, inmiddels 86 jaar oud, schrijft sinds zijn emeritaat aan Harvard University over de geschiedenis van de biologie (zijn The Growth of Biological Thought uit 1982 wordt alom beschouwd als een meesterwerk). In 1988 publiceerde hij een verzameling essays onder de titel Toward a New Philosophy of Biology. Observations of an Evolutionist, met daarin acht hoofdstukken over Darwin. Toen hij dit boek gereedmaakte voor vertaling in het Duits, kwam het bij hem op om deze stukken te bewerken en uit te breiden tot een afzonderlijk boek, geheel gewijd aan Darwin en de geschiedenis van het Darwinisme.

Het resultaat is een gerijpte beschouwing over Darwins denken en het ontstaan van de moderne evolutietheorie. Mayr schetst in heldere bewoordingen wat Darwins evolutio-naire ideeën inhielden, welke bezwaren er tegen werden ingebracht, waar de witte vlekken zaten en hoe deze uiteindelijk werden ingevuld. Hij ontrafelt de vele betekenissen van het woord "Darwinisme' en vat kernachtig samen langs welke lijnen Darwins evolutietheorie leidde tot de "moderne synthese' waaraan Mayr zelf zo'n centrale bijdrage heeft geleverd. Bovendien geeft hij een korte weergave van de belangrijkste problemen en controverses in de evolutiebiologie van dit moment.

Op de lijvige biografie vormt deze beknopte inleiding tot het denken van Darwin een perfecte aanvulling. Darwin en One Long Argument zijn elkaars ideale companion volumes.