Connie zei dat er was gebeld door een zekere ...

Connie zei dat er was gebeld door een zekere doctor Jansen. Ze had zijn nummer opgeschreven en beloofd dat ik zou terugbellen. Of dat iemand was die ik kende?

Ik knikte, koud van schrik.

""Aardige man'', zei Connie mysterieus.

""Hoezo aardig?''

""Vrolijk'', zei ze.

""Hoezo vrolijk?''

""Ik weet niet'', zei ze. Ze scheen een toelichting te overwegen, liep in gedachten het gesprek nog eens na, glimlachte even en haalde haar schouders op.

We zaten tv te kijken. Zo brachten we een groot deel van onze dagen door - wachtend. Wat moest je anders? Een goed boek lezen? Saxofoon leren spelen? Een suikerzakjesverzameling beginnen? Dergelijke dingen waren door mijn hoofd gegaan, maar het was te laat. Bovendien: tv-kijken leek me nog niet zo'n gekke voorbereiding op wat er te gebeuren stond. Je was overal bij en maakte niks mee - was dat al niet een beetje de vergetelheid?

We keken naar een Amerikaanse serie over verwerpelijke mensen en na verloop van tijd zei Connie, nogal terloops eigenlijk: ""Op zeker moment komt er natuurlijk een eind aan.'' Ik keek even opzij, toen weer voor me.

""Je kunt'', zei ze, ""onmogelijk je eigen dood beschrijven.''

""Op zeker moment'', zei ze, ""moet je het laten afweten. Je wordt steeds zieker, je komt op bed te liggen, je begint te ijlen, je vergaat van de pijn, je raakt van de wereld, misschien wel in coma, of misschien moet je toch nog geopereerd worden.'' Er kwam een soort gedrevenheid in haar stem, alsof ze iets moois besprak. ""En wat dan?'' vroeg ze.

""Ja'', zei ik, ""daarover heb ik het gehad met Guus Liguster. Het zal er wel op uitdraaien dat hij dan een verslaggever stuurt, een jongen met een gevoelige pen, want andermans doodsstrijd, dat is niet niks. En een betrouwbare jongen bovendien, want ik ga er wel van uit dat we goed afspreken wat mijn laatste woorden zullen zijn.''

""Wie?'' wilde Connie weten.

Ik noemde een paar namen, maar ze trok een bedenkelijk gezicht en schudde steeds van nee.

Van de gang kwam het opgewonden gerucht van mannen, die goede zaken hadden gedaan en het nu op een drinken gingen zetten. Ik voelde me onbeschrijflijk rijk. Eindelijk hoorde ik erbij, eindelijk begréép ik deze wereld: het ging er maar om dat je wat te bieden had en als je dat dan gaf, dan kreeg je er een heleboel voor terug. Niet van dat benauwde, dat was welbeschouwd het enige.

""Als ik dat nou eens deed?'' vroeg Connie.

""Jij?''

""Ja, waarom niet? Of denk je dat ik dat niet kan? Denk je niet dat de mensen zich afvragen hoe ik dit allemaal onderga, je eigen vrouw tenslotte?''

""Zeker'', zei ik.

""En ik ben natuurlijk de enige die overal bij kan zijn, de enige die jouw gedachten kent. Weet je, ik ben al begonnen aantekeningen te maken!'' Ze keek me aan. Ze straalde en ik van mijn kant, ik straalde terug. Connie was zich bewust geworden van de nalatenschap. Connie had in de gaten gekregen dat er wat te halen viel. Het ging heel goed met Connie, ze was weer helemaal onder de mensen.

Toen ging de telefoon. Argeloos nam ik de hoorn van de haak. Doctor Jansen, de lymfocytenman! ""U zou mij terugbellen'', zei hij, eerder plagend dan verwijtend.

Ik deed het gordijn opzij, zag de zee bij nacht, een duistere diepte, rollend schuim, vuurtorenflitsen. Cryptische omschrijving van doctor: betaalkever.

(wordt vervolgd)