Bloedplasma onnodig gebruikt voor transfusies

DEN HAAG, 18 JAN. Voor 70 procent van het aantal transfusies van bloedplasma in Nederland bestaat geen goede reden. De directeuren van de Provinciale Raden voor de Volksgezondheid maken zich naar aanleiding daarvan ernstig zorgen en dringen aan op overheidsmaatregelen.

Vijf deskundigen, onder wie professor dr. W.G. van Aken van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst (CLB) van het Rode Kruis in Amsterdam, hebben in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde gewezen op de “opvallende en tevens verontrustende ontwikkeling” in het gebruik van plasma voor transfusies.

In de wet is vastgelegd dat Nederland moet voorzien in de eigen behoefte aan bloed en bloedprodukten. Voor de meeste produkten is dat het geval, maar aan stollingsfactor acht, waarmee hemofiliepatiënten moeten worden behandeld, bestaat nog een tekort. Daarom moeten produkten van betaalde donors uit het buitenland worden geïmporteerd. Vorig jaar was er een tekort van 55.000 liter plasma, wat goeddeels te wijten is aan irrationeel gebruik.

Ziekenhuizen vragen jaarlijks ongeveer 10.000 eenheden meer, zodat in 1990 al meer dan 100.000 donoreenheden door regionale bloedbanken moesten worden geleverd. In het artikel verwijzen de vijf ook naar Amerikaanse studies die in 1985 al lieten zien dat daar bij 90 procent van dit soort transfusies een deugdelijke indicatie ontbrak.

Beperking van het aantal transfusies met plasma zou niet alleen veel geld besparen, maar ook minder risico inhouden voor patiënten. Zouden artsen zich beperken tot de noodzakelijke gevallen, dan zou veel plasma beschikbaar komen voor produktie van onder andere stollingsfactor acht voor hemofiliepatiënten.

Pag.2:

Beperking transfusies levert vier miljoen op

Het gebruik van "vol bloed' is de afgelopen jaren afgenomen. Tot een jaar of tien geleden werd uitsluitend dit "vol bloed' getransfundeerd. Later werd bloed na centrifuge gescheiden en was het mogelijk alleen rode bloedcellen te transfunderen of alleen plasma, de bloedvloeistof. Rode bloedcellen worden toegediend bij ernstige bloedarmoede. Het geven van plasma is volgens professor Van Aken alleen nuttig bij betrekkelijk zeldzame indicaties. Het gaat daarbij om een hele kleine groep mensen die een tekort heeft aan de zogeheten stollingsfactor vijf. Ook bij ernstige leverstoornissen en een enkele andere nauwelijks voorkomende aandoening heeft deze vorm van transfusie een duidelijk verbeterend effect.

In de praktijk geven artsen dit plasma echter op grote schaal aan bijvoorbeeld operatie-patiënten. Ook bij bloedverlies wordt te snel plasma toegediend. Volgens Van Aken komt massaal bloedverlies echter zelden in zodanige mate voor dat aanvulling met plasma noodzakelijk is.

Vooral in hartchirurgische centra blijkt het transfusiebeleid sterk te verschillen. In sommige van deze centra krijgt meer dan de helft van de patiënten een transfusie, nog voordat er sprake is van bloedverlies. De hoeveelheid plasma die dan wordt gegeven is zo gering dat er nauwelijks enig effect van mag worden verwacht, zo zegt Van Aken. In gevallen waarbij dit soort transfusies wel zin hebben zijn echter aanzienlijk veiliger alternatieven voor handen.

Toediening van plasma is niet zonder risico. Het belangrijkst is het gevaar virussen over te dragen, zoals hepatitis B, hepatitis C en HIV, dat AIDS kan veroorzaken. Ook kunnen allergische reacties optreden, die kunnen variëren van huiduitslag tot longoedeem. Het lichaam kan bovendien in zeldzame gevallen een ongewenste immuunreactie opbouwen. In dat geval ontstaat koorts, maar ook dan is er kans op longoedeem. Ongeveer tachtig procent van de patiënten bij wie dit gebeurt herstelt binnen vier dagen, maar één op de tien overlijdt.

Zouden artsen zich beperken tot die gevallen waarbij een echte indicatie bestaat, dan zou een belangrijke hoeveelheid plasma beschikbaar komen waaruit andere produkten kunnen worden gewonnen, zoals stollingsfactor acht.

Van Aken wijst op drie belangrijke voordelen bij beperking. Zo zou er direct rond vier miljoen gulden worden bespaard. Voorts wordt het aantal mensen dat aan een transfusie hepatitis overhoudt belangrijk gereduceerd. In de derde plaats zou beperking betekenen dat Nederland met eigen donorbloed zou kunnen voorzien in voldoende stollingsfactor acht om hemofilie-patiënten te kunnen behandelen, wat eveneens kostenbesparend is.