"Angst voor ontstaan islamitische zuil is ongegrond'; Coördinator van minderhedenbeleid bestrijdt kritiek VVD

DEN HAAG, 18 JAN. Het is een groot misverstand te denken dat de overheid concrete stappen zou moeten ondernemen om een islamitische zuil op te richten ter stimulering van de integratie van het islamitische bevolkingsdeel.

Dat zegt mr. H.K. Fernandes Mendes, sinds bijna twee jaar directeur van de afdeling Coördinatie Minderhedenbeleid op het ministerie van binnenlandse zaken. Hij vindt de discussie over verzuiling als middel tot integratie van etnische minderheden “hoogst interessant”, maar hij gelooft er niet in.

“Verzuiling is nooit door de overheid opgelegd”, meent Fernandes Mendes, “In zijn standaardwerk over de verzuiling geeft Lijphart een beschrijving achteraf van hoe Nederland in het verleden heeft gefunctioneerd. Verzuiling kan ook nooit door overheidsbeleid tot stand komen. Nog afgezien van de vraag of dat wenselijk zou zijn. Ik geloof niet dat een islamitische zuil er komt, eenvoudig omdat ik geen enkele indicatie heb dat islamieten in Nederland dat zouden willen.

“Er is in dat verband geen enkele reden om, zoals de VVD blijkens perspublikaties deze week deed, geschrokken te reageren op de toename van het aantal islamitische scholen in Nederland. Alleen wanneer die scholen zouden dienen om de leerlingen te isoleren van de rest van de samenleving zou dat een punt van zorg opleveren. Maar daarvoor is geen enkele aanleiding. Vrijheid van onderwijs en godsdienst zijn randvoorwaarden van de Nederlandse samenleving. Bolkestein heeft eerder gezegd dat die niet ter discussie mogen staan, en dat ben ik zeer met hem eens.”

Fernandes Mendes kan terugzien op bijna tien jaar minderhedenbeleid in Nederland. Sinds het verschijnen van de eerste nota Minderhedenbeleid, in 1983, lijkt zich een drastische kentering in het denken over etnische minderheden te hebben voltrokken. Vele malen is de afgelopen jaren geconstateerd dat de welzijnsbenadering van minderheidsgroepen tot gevolg heeft gehad dat zij werden “doodgeknuffeld”, althans dat zij te zeer afhankelijk werden gemaakt van overheidshandelen. Sinds het rapport Allochtonenbeleid van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid in 1989 is het gewoon te wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van leden van minderheidsgroepen en op het feit dat zij naast rechten vooral ook plichten hebben. Fernandes Mendes meent dat er van een specifieke omslag in het denken over minderheden geen sprake is. “Die meer zakelijke benadering van minderheidsgroepen is geen autonoom verschijnsel. In de samenleving als geheel laat zich een verharding zien, waarbij meer wordt terugverwezen naar de verantwoordelijkheid van de burger zelf. Kijk maar naar de wijzigingen die aangebracht worden in het sociale stelsel. Dat hangt nauw samen met vragen over spankracht van het overheidsapparaat. Is de Nederlandse burger niet te zeer afhankelijk geworden van dat apparaat? Is hij in zijn algemeenheid niet teveel in de watten gelegd?

“Minderheden maken deel uit van die samenleving en krijgen vanzelfsprekend ook met die zakelijke benadering te maken. Ook zij moeten minder afhankelijk zijn van de overheid. Wij moeten ons toeleggen op het creeëren van kansen voor de burgers. We proberen mensen ervan te doordringen dat ze zelf hun kansen moeten grijpen. We proberen ze weerbaar te maken.”

Door de WRR werd toepassen van dwang in het minderhedenbeleid geadviseerd. Werknemers moeten gedwongen worden een taalcursus te volgen, werkgevers om allochtonen in dienst te nemen.

“Ook hier geldt dat toepassing van dwang niet alleen bespreekbaar is gemaakt in het kader van het minderhedenbeleid. Als een individu zich niet beschikbaar wenst te maken voor de arbeidsmarkt, moet je hem dan een uitkering geven? Mij lijkt van niet. In de sfeer van de werkgevers heeft de regering de tripartite structuur voor de arbeidsvoorziening in het leven geroepen waarin behalve de overheid ook de werknemers en de werkgevers participeren. Het is immers eenvoudiger doelen te realiseren als de betrokkenen zelf overtuigd zijn van het nut. Mochten we met elkaar constateren dat dit soort mechanismen niet werkt dan weet ik niet welk alternatief de overheid heeft buiten het toepassen van dwang.”

Uw eigen directie minderhedenbeleid is niet lang geleden belangrijk ingekrompen. Was dat ook een gevolg van die verzakelijking?

“Dat is gebeurd nadat het kabinet had vastgesteld dat niet Binnenlandse Zaken alleen over hét minderhedenbeleid gaat in dit land. De meer algemene doelstellingen van het minderhedenbeleid uit 1983 houden grof gezegd in dat je moet streven naar een samenleving waar ook etnische minderheden zich in elk opzicht kunnen ontplooien. Maar zo langzamerhand klinkt het besef door dat het realiseren van die doelstelling een zaak is van buitengewoon lange adem. Daarom zijn de gebieden van wonen, werken en weten als prioriteiten van beleid aangewezen. Elk departement is verantwoordelijk voor het minderhedenbeleid op het eigen terrein. Binnenlandse Zaken kan niet het enige loket van de overheid zijn als het om minderheden gaat.”

Houdt uw werk dan voornamelijk in ervoor te waken dat andere departementen geen dingen dubbel doen?

“Wij zijn ook het knooppunt van veel informatie. Een belangrijke taak is initiëren van nieuw beleid. Juist het minderhedenbeleid is in zijn effecten op de samenleving zo breed - van huisvesting, tot onderwijs en arbeid - dat er ergens moet worden nagedacht over wat op ons afkomt. Denk aan Europa en de immigratie. We fungeren als een soort denktank die het kabinet voorziet van die informatie. Ook bezien wij of het vastgestelde beleid inderdaad wordt uitgevoerd.”

Daar zult u wel pessimistisch over zijn. Ik wijs alleen maar op het eeuwige probleem van de wachtlijsten die er bestaan voor allochtonen die een cursus Nederlands wensen te volgen.

“Ik denk dat het noodzakelijk is dat met de grootst mogelijke spoed die invalshoek van het beleid wordt waargemaakt. Daar is in de Kamer ook aandacht voor gevraagd. Temeer omdat een van de nieuwe accenten van het minderhedenbeleid gericht is op nieuwkomers die we zo snel mogelijk kansen moeten bieden om te integreren. Op dit punt moet het kabinet zorgen voor meer geld. Overigens is het minderhedenbeleid op andere bieden wel succesvol geweest. Zo is er op het gebied van de huisvesting veel verbeterd.”

Een tijdje geleden alweer heeft Lubbers geopperd dat er misschien één minister voor minderhedenbeleid moet komen. Zou dat meer garantie geven voor nóg betere uitvoering van het beleid?

“Voor zover men denkt aan een nieuw departement, vraag ik mij af of dat betekent dat de andere departementen dan niet meer verantwoordelijk zijn. Als Economische Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid hun verantwoordelijkheid houden, begrijp ik niet wat men precies bedoeld. Als het uitgangspunt is dat de minister voor minderhedenbeleid moet werken binnen het proces van decentralisatie, van uitvoering van het beleid naar lokale overheden, van tripatisering ook van het werkgelegenheidsbeleid, en als we bedenken dat in het Nederlandse bestel elke minister zo zijn eigen verantwoordelijkheid heeft, en dat daarom coördinerend ministers dus geen echte bevoegdheden kennen, dan moeten we erop wijzen dat mevrouw Dales de minister is waar sommigen kennelijk om vragen.”