Werkloosheid stijgt ondanks banengroei

DEN HAAG, 17 JAN. De werkgelegenheid is vorig jaar veel sterker gegroeid dan het Centraal Planbureau voorspelde. Gemiddeld was het aantal mensen met betaald werk vorig jaar 165.000 hoger dan in 1990.

Het Planbureau hield in maart 1991 rekening met een stijging van minder dan 100.000. Ook in de jaren 1987-1990 steeg het aantal mensen met een baan met gemiddeld 160.000.

De jongste CBS-cijfers zijn ontleend aan de jaarlijkse Enquête beroepsbevolking, waarvoor het CBS vorig jaar ruim 110.000 mensen van 15 jaar of ouder heeft geënquêteerd. De uitkomsten, die gisteren werden gepubliceerd, betreffen jaargemiddelden.

Uit een andere CBS-bron, de Kwartaalstatistiek werkzame personen, blijkt dat de groei van het aantal banen in de loop van 1991 is afgenomen. Tussen september 1990 en september 1991 steeg het aantal banen met 93.000, aanzienlijk minder dan de groei tussen maart 1991 en maart 1990 die nog op 143.000 uitkwam. Ook het aantal vacatures nam af, van 105.000 per eind september 1990 tot 87.000 eind september 1991.

Dat de werkgelegenheidsgroei in de loop van 1991 afzwakte, blijkt ook uit de werkloosheidscijfers. In het laatste kwartaal van 1991 bedroeg het aantal geregistreerde werklozen gemiddeld 317.000. In juli en september bereikte dit niet voor het seizoen gecorrigeerde werkloosheidscijfer een laagtepunt van 302.000. In oktober en november nam de werkloosheid vorig jaar weer toe, terwijl in voorgaande jaren juist een daling optrad.

Het werkloosheidspercentage (werklozen als percentage van de beroepsbevolking) is sinds 1988 gedaald van 6,4 procent tot 4,5 procent in 1991. Bij de vrouwen daalde het werkloosheidspercentage van 6,0 tot 4,7 procent, bij de mannen trad een daling op van 6,7 tot 4,3 procent. Vooral bij de jongeren tot 25 jaar trad een forse daling op, van 8,9 tot 5,1 procent.

Het aantal personen met betaald werk, per duizend inwoners van 15-64 jaar, is gestegen van 581 in 1987 tot 629 in 1991. Per duizend inwoners in alle leeftijdsklassen steeg het aantal werkenden van 400 tot 433.

Het aantal werkende vrouwen nam de afgelopen jaren jaarlijks met ruim honderdduizend toe, terwijl het aantal werkende mannen met jaarlijks ruim 60.000 groeide. Waar de totale werkgelegenheid vorig jaar met 165.000 banen toenam, groeide het aantal vrouwen met een betaalde baan met 112.000. Sinds 1987 is het aantal vrouwen met betaald werk gestegen van 2,1 naar 2,5 miljoen. Bij de vrouwen werkt een veel groter deel (19 procent) in deeltijd dan bij de mannen (6 procent).

De participatiegraad - dat is de som van het aantal mensen met betaald werk, de werkzoekenden zonder baan en de overige personen met een werkloosheidsuitkering, uitgedrukt als percentage van de totale bevolking van 15 tot 65 jaar - steeg bij de vrouwen in 1991 tot 55,5 procent. Ook bij de mannen trad, na de daling in voorgaande jaren, weer een stijging op, tot 81,5 procent. In 1971 was de participatiegraad van vrouwen nog slechts 30 procent, en bedroeg die bij de mannen 85 procent.

In 1991 had 53 procent van de bevolking van 15-64 jaar een opleiding op middelbaar of hoger niveau (Havo, VWO, MBO of hoger). In 1990 was dat 51 procent. Van de mensen met betaald werk had vorig jar 63 procent een opleiding van middelbaar niveau of hoger.