Wenen en de herinnering aan acht eeuwen joods verleden

Op een mooie zomerdag is het altijd stampvol op Wenens Judenplatz, het kleine, hooggelegen pleintje in de oude binnenstad.

Honderden jonge mensen staan er, met een glas in de hand, en praten druk. Er zijn cafés en restaurants, waaronder een joods, aan het pleintje. Vijftig meter naar beneden, aan de Seitenstettengasse 4, is de ingang van de synagoge en de ruimtes die door het Historisch Museum van Wenen voor tentoonstellingen met joodse thema's worden gebruikt. Aanwijzing dat in dit Weense buurtje een concentratie van joodse activiteiten te vinden is vormen de politieagenten, die zwaar bewapend in de Seitenstettengasse rondhangen of op de hoek van de Judenplatz staan.

's Winters vallen zij het meest op, want dan is het buurtje leeg. Maar elders in Wenen wordt men het hele jaar door met de neus gedrukt op het veiligheidsprobleem, waarmee alle joodse vestigingen in de wereld kampen. In de straten van de wijk Leopoldstadt, waar eens de helft van de bevolking joods was, ziet men her en der politieagenten met walkietalkies: in de Malzgasse, de Tempelgasse, de Grünentorgasse, de Castellezgasse. Hier zijn joodse kleuter- en lagere scholen en in de laatstgenoemde straat het joodse gymnasium.

Nu beschermt de politie van burgemeester Zilk de kleine joodse minderheid in Wenen (12.000 op de meer dan anderhalf miljoen inwoners). Dat was anders in 1938, toen na de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland de Weense politie niets deed tegen de terreur die de Duitse en Oostenrijkse nazi's tegen de joden ontketenden. Joodse burgers werden gedwongen afbeeldingen van het Oostenrijkse kruis (niet met haken, maar met dwarsbalken, het symbool van kanselier Dolfuss' poging een Oostenrijks fascisme van eigen bodem te kweken) van muren en straten te poetsen. In de Reichskristallnacht werden op een na alle grote synagogen plus 49 van de 89 gebedshuizen platgebrand.

Op 12 maart 1938 marcheerden de Duitsers Oostenrijk binnen. Al op 1 april ging een eerste transport van joodse burgers uit Wenen naar Dachau. Nog 186.000 joden woonden op dat moment in Wenen. Ruim 100.000 weten nog te emigreren. Bijna alle anderen worden door de nazi's vermoord. In 1945 blijkt dat niet meer dan ruim 500 joodse Weners de catastrofe hebben overleefd.

Het is moeilijk, met alles wat we nu weten over de tragische ondergang van de joodse gemeenschap in Wenen, nog oog te hebben voor het grote succes dat deze gemeenschap had vóór de opkomst van het nazisme. Wel waren er sinds 1196, toen de eerste joodse inwoner van Wenen: Schlomo, muntmeester van Leopold V, door kruisvaarders vermoord werd, steeds golven van antisemitisme, maar er volgden steeds perioden waarin joden groot aanzien genoten. Vooral na 1850, tijdens de regering van keizer Franz Josef, die een verklaard tegenstander was van antisemitisme, stroomden joodse provincialen naar Wenen, waar zij in 1914 tien procent van de bevolking uitmaakten.

In de politiek, in het opkomend socialisme, in het zakenleven, in de wetenschap en in de cultuur droegen zij voor een groot deel de explosie van creativiteit die rondom de eeuwwisseling en daarna het leven in Wenen kenmerkte. De joodse gemeenschap was in deze tijd uitgesproken pro-Habsburg en vóór de Duitse cultuur. Zij geloofde voor een niet onbelangrijk percentage in assimilatie en na 1918, toen Centraal-Europa net als nu werd geteisterd door romantisch nationalisme, steunde zij Oostenrijks Eerste Republiek.

De nazi's verdreven en vermoordden dit voor Wenen zo essentiële segment van de bevolking. Wenen heeft daarmee voorgoed iets verloren dat tot zijn belangrijkste en bewonderenswaardigste wezenskenmerken was gaan behoren.

Maar helemaal is de joodse gemeenschap gelukkig niet verdwenen.

Vooral door de komst van immigranten uit het Oosten, maar ook wel door remigratie, is het aantal joodse Weners de laatste jaren weer flink gestegen. De Kultusgemeinde is opgebloeid; behalve de synagoge zijn er weer elf gebedshuizen, er is een Talmoed-Tora-school, waar weer in het Hebreeuws wordt onderwezen. Na de Holocaust leeft het denkbeeld dat assimilatie, het opgeven van de joodse godsdienst en gebruiken, het probleem van het antisemitisme zal oplossen bij niemand meer. Ook niet bij de joodse jeugd in Wenen.

Na 1945 duurde het meer dan 25 jaar voordat men in joodse kring het gevoel kreeg dat men in Wenen ook langer dan tijdelijk zou kunnen wonen. “Tot die tijd leefde men uit de koffer”, zegt het hoofd van de Kultusgemeinde, Paul Grosz. In 1986, toen Waldheim voor het presidentschap kandideerde en in reactie op de kritiek op diens oorlogsverleden allerlei antisemitische uitspraken werden gedaan, begon men in de joodse gemeenschap weer enigszins te twijfelen aan de mogelijkheid als jood in Wenen te leven.

Maar 1991 heeft veel goedgemaakt. Op 8 juli sprak bondskanselier Vranitzky voor het eerst over de medeverantwoordelijkheid van een deel van het Oostenrijkse volk voor de misdaden van de nazi's. En op 24 oktober demonstreerden 10.000 voor het overgrote deel niet-joodse burgers in stromende regen tegen antisemitisme en racisme. Paul Grosz noemt Vranitzky's rede de “misschien belangrijkste binnenlandse politieke uitspraak sinds 1945”. De demonstratie betitelt hij als “verbazingwekkend”.

Een van de meest zichtbare leden van de joodse minderheid in Wenen is Leon Zelman, die het getto in Lodz en het concentratiekamp overleefde. Hij organiseert met zijn Jewish Welcome Service ontmoetingen tussen joden en niet-joden en wil nu hulp gaan geven aan nog bestaande joodse gemeenschappen in Oost-Europa. In de Oostenrijkse discussie over het nazi-verleden wil hij weg van het beeld dat alleen maar joden slachtoffer werden van de nazi-misdaden. “De eerste kinderen die vergast werden waren niet joods, maar gehandicapt”, zegt hij keer op keer.

De stad Wenen onder leiding van de sociaal-democratische burgemeester Zilk doet haar best om de nog in Wenen levende joodse gemeenschap en de herinnering aan acht eeuwen joods verleden niet te verwaarlozen. Zij heeft de Israelische kunsthistorica Daniëlla Luxemburg aangesteld om Das Wiener Jüdische Museum te gaan oprichten en inrichten. De ingang en de kantoren van het museum worden ondergebracht in een huis aan de Judenplatz, historisch gezien de plek waar de eerste joden in Wenen woonden. Vanuit de kelder van dit huis zal onder de Judenplatz een immense expositieruimte worden gebouwd, waar Daniëlla Luxemburg, die maar een kwart van haar tijd naar Wenen komt en aanblijft als vertegenwoordigster van het veilinghuis Sotheby's in Tel Aviv, vooral wil tonen wat joden aan de Oostenrijkse en Weense cultuurgeschiedenis hebben bijgedragen.

Daniëlla Luxemburg bruist van enthousiasme over het project, waarvoor de stad Wenen, de bondsregering en de Vereniging van Vrienden van het Joodse Museum al 30 miljoen gulden bij elkaar hebben gebracht. De coalitiepartijen en hun leiders, bondskanselier Vranitzky en vice-kanselier Busek, helpen volgens haar aan alle kanten.

In 1993 zal worden begonnen met graven en bouwen. In 1995 moet het museum opengaan. De 12.000 mensen tellende joodse gemeenschap in Wenen zal dan eindelijk een plek hebben waar de unieke rol van de joden in Wenen historisch gepresenteerd en geëerd zal worden. Dat die plek onder de grond zal liggen (waar men overigens de resten van de oudste synagoge van Wenen hoopt te vinden) stoort Daniëlla Luxemburg niet. Maar wie kan de ironie ontgaan van het feit dat uitgerekend de vaak verdrongen geschiedenis van het jodendom in Oostenrijk en Wenen, die gekenmerkt werd door moorden, verbrandingen, verbanningen, discriminatie en vergassing, onder de grond gepresenteerd gaat worden.