Uit Moskou: Stoppelbaard, winterjas, overschoen; De Russische boheme

Voor de tweede maal bericht Laura Starink vanuit Moskou. “Tegen de achtergrond van de algehele ineenstorting van het land hebben wij een mooi ding gemaakt!”, zegt de vormgever van het nieuwe Russische literaire tijdschrift De Gouden Eeuw, gedrukt op dik kwaliteitspapier. Op het Manegeplein wordt tegelijkertijd een samizdat-uitgaafje verkocht met gedichten die Anatoli Loekjanov, gearresteerd wegens medeplichtigheid aan de staatsgreep van augustus, in de gevangenis heeft geschreven.

Na twee minuten valt het licht uit. De kleine galerie staat stampvol mensen. Het geroezemoes verstomt, in het donker weet niemand zich meer te herinneren wie zijn gesprekspartner was. Sigaretten gloeien op: de Gouden Eeuw is geboren.

Terwijl buiten Moskou langzaam tot stof vergaat, heft de bohème binnen de plastic bekertjes met ijswijn op de geboorte van een nieuw literair tijdschrift, Zolotoj Vek (De Gouden Eeuw). Het is een elitair blad, op folioformaat, gedrukt op onwaarschijnlijk dik kwaliteitspapier, in een oplage van 2500 genummerde exemplaren, voor de lieve somma van 250 roebel. De naam op het omslag is afgedrukt in de oude spelling, met de na de revolutie gesneuvelde klinker "jat' en het eveneens verdwenen klankloze "harde teken'. De naam verwijst naar de gouden eeuw van de Russische literatuur, het tijdperk van Poesjkin, Lermontov en Gogol, de jaren veertig van de vorige eeuw. Weg met de politiek, met de Lenins, de Jeltsins en de Kravtsjoeks, weg met de markt, de dollar en de roebel, weg met de ideologische en anti-ideologische literatuur, en het eerste nummer van De Gouden Eeuw opent dan ook met André Gides Traite de Narcisse.

De hoofdredacteur, de vormgever, de contribuanten, de galeriehouder, zij zijn trots op hun eersteling en dat is niet verbazend in een land waar tienduizenden ideeën geconcipieerd, rijkelijk begoten en uitbundig besproken worden, maar maar weinige uiteindelijk ook vrucht dragen. In een land waar aan alles gebrek heerst, behalve aan gespreksstof, en waar organisatorische problemen zelfs de meest doorgewinterde idealist tenslotte de das omdoen. De vormgever, gekleed in een Hollands wit laken hemd uit het begin van de eeuw, vertolkt de mening van de driekoppige redactie: “Tegen de achtergrond van de algehele chaos en ineenstorting van het land hebben wij een mooi ding gemaakt!” Hij straalt. Iemand duwt een overvloedig opgemaakte zangeres in zijn armen. “Ik zing Tsjaikovski”, kweelt zij tegen de opblozende kunstenaar. “Vergeef me dat ik geen bloemen heb meegebracht, ik kan dit plechtige moment alleen eer aan doen door u twee kaartjes voor mijn volgende concert in de Tsjaikovskizaal aan te bieden!” Hij grijpt haar gepoederde hand en drukt er een kus op. Opnieuw valt het licht uit.

Modderpoel

De galerie waar de feestelijke bijeenkomst plaats heeft is onderdeel van Moskou's nieuwe Centrum voor moderne kunst, de jarenlange droom van kunsthistoricus Leonid Bazjanov. Toen Brezjnev nog leefde, opende Bazjanov in een treurige buitenwijk van Moskou de eerste onafhankelijke galerie van de stad en noemde haar Hermitage. Hier toonde hij de verboden Russische avant-garde, de zestigers, die zich inmiddels over de hele wereld hebben verspreid. Kabakov, Tsjoejkov, Steinberg, Infante, zij zijn Moskou allang ontgroeid. Maar Bazjanov heeft zijn "Centre Georges Pompidou' eindelijk gekregen, middenin de stad. Het is een afbrokkelend driehoekig huizenblok, waarvan de laatste woningen nog moeten worden ontruimd. Op de driehoekige binnenplaats zal volgens de maquette ooit een Tatlin-achtige toren van Babel verrijzen, voorlopig is het één grote modderpoel. Drie galeries werken al, de rest van het gebouw staat in de steigers of op instorten. De toegang tot het complex wordt voorlopig belemmerd door werkzaamheden aan de openbare weg, die, zo leert de ervaring, in Moskou meestal van lange adem zijn. Maar de kleine Rus met baard en crew cut ziet zijn centrum al uit de as verrijzen. De presentatie van De Gouden Eeuw is slechts een voorproefje van wat kunstminnend Moskou nog allemaal te wachten staat, als wij Bazjanov mogen geloven.

Stelt u zich de Moskouse bohème overigens niet voor als het verfijnde postmoderne gezelschap dat bij ons cafés en etablissementen versiert. Hier heersen stoppelbaard, winterjas en overschoen, de galerie staat blauw van de rook, en al is De Gouden Eeuw dan wars van ideologie, waan u hier niet in etherische sferen. De namen van Viktor Jerofejev, Jevgeni Popov, Joeri Miloslavski en Eduard Limonov spreken boekdelen: de toon van Zolotoj Vek is die van het ruige Russische leven. Het blad opent met "Een leven met een idioot' van Viktor Jerofejev, wiens bestseller Een schoonheid uit Moskou in 25 talen is vertaald. Een postmodern verhaal, vindt Jerofejev zelf. Een man wordt om onduidelijke redenen veroordeeld tot samenleven met een door hem zelfuitgekozen idioot, die eerst alle boeken van Proust verscheurt, dan zijn vrouw afpakt, vervolgens via een badscène een relatie met de hoofdpersoon zelf aanknoopt en tot slot diens vrouw het hoofd afhakt. Een allegorie van het Sovjet-leven? Jerofejev heeft het verhaal, dat overigens al eerder is gepubliceerd, inmiddels omgewerkt tot libretto voor een spiksplinternieuwe opera van de Russische componist Alfred Schnittke. De opera zal in april in Amsterdam met Rostropovitsj, Ilja Kabakov als décorontwerper en de tachtigjarige Boris Pokrovski, de grote man van het Bolsjojtheater, haar wereldpremière beleven.

Treinverhaal

Het ruige Russische leven. Wat biedt De Gouden Eeuw nog meer? “Moskouse spoorwegen. Richting Savjolov. Als iemand u in Moskou beledigd heeft, als ze uw artistieke pennevruchten niet drukken, u overal ontslaan of u bij de KGB roepen, zuig uw longen dan vol met zuurstof en duik in de u van alle kanten omhullende totalitaire lente”, zo begint "Het klooster van Danilov' van de mild-ironische schrijver Jevgeni Popov. Het is het begin van een treinverhaal, een genre dat in het onmetelijke Rusland door talloze schrijvers, van Konstantin Paustovski tot Venedikt Jerofejev, is beoefend. Eduard Limonov, de angry oudere jongere van de Russische emigratie, zet in "Toespraak van een schreeuwlelijk met proletarische pet' zijn vermoeiende literaire kruistocht tegen Oost en West voort. In "Ik en de twintigste eeuw' beschrijft Vjatsjeslav Pjetsoech de frustraties van een alcoholist die volgens de prognoses van de arts dank zij zijn leverkwaal de twintigste eeuw niet zal halen. Pjetsoech behoort tot de Sovjet-schrijvers die erin geslaagd zijn in alle tijden te publiceren in hun vaderland. Waarom? vraag ik de keurig in het pak zittende vijftiger. “Omdat wij qua intellect zover boven de machthebbers uitstaken, dat ze niet in de gaten hadden hoe anti-Sovjet we waren”, antwoordt Pjetsoech eenvoudig.

Als het licht voor de derde keer uitvalt, verlaten wij de galerie. Buiten heerst de twintigste eeuw, die de geschiedenis waarlijk niet als de "gouden' in zal gaan. Buiten ligt het materiaal waaruit de auteurs van Zolotoj Vek hun inspiratie putten. En ik denk aan de demonstratie van afgelopen zondag, tegen de prijsverhogingen. Rode vlaggen, voor het eerst in 75 jaar weer vrijwillig meegedragen, en een krakende geluidsinstallatie waaruit de Internationale opnieuw als verzetslied weerklinkt. Vijfduizend misnoegde Moskovieten op het Manegeplein naast het Kremlin. Communisten, nationalisten, antisemieten, religieuze fanaten, die maar één ding met elkaar gemeen hebben: zij zijn ten prooi aan totale verwarring, complete zinsverbijstering. Zij zijn bitter om hun vergooide leven, zij zijn kwaad en op zoek naar een vijand, op zoek naar de schuldigen, de apparatsjiks, de speculanten, de buitenlanders, de joden.

Rode neus

“Ons hele leven hebben de "kommoenjaki' ons vermicelli aan de oren gehangen”, zegt een vrouw van middelbare leeftijd. En Jeltsin is geen haar beter dan de rest, hij verkoopt het land aan de nieuwe rijken en de buitenlanders. Opnieuw is de arbeidersklasse het slachtoffer, klaagt men misnoegd. Een man heeft heel zijn fantasie op dit thema uitgeleefd. Hij loopt met een plakkaat waarop Jeltsin met rode neus staat afgebeeld, in de ene hand een whiskeyfles, in de andere hand een foto van een blote vrouw. Een pijl wijst naar haar omvangrijk zitvlak: “Toegang tot het Europese Huis”. Omstanders giechelen.

Vijfduizend demonstranten is niet veel voor een miljoenenstad. Je hoeft er misschien wel geen acht op te slaan. Maar achter hen staan de rijen voor brood, melk en eieren. “Zwijgt, heidenen”, roept een verwarde oude man, die uit de metro opduikt als uit het ondermaanse. Voor twee roebel verkoopt hij een samizdat-uitgaafje met de gevangenisgedichten van Anatoli Loekjanov, jurist, voorheen Gorbatsjovs vriend en rechterhand, voorheen voorzitter van het eerste echte Sovjet-parlement, gearresteerd wegens medeplichtigheid aan de staatsgreep van augustus.

“Menselijke dankbaarheid!, waar vind je die?/ Verwacht haar niet, kwel niet jezelf!/ Alles is in vergetelheid gedompeld/ Alles is door de begeesterde kranten vergiftigd/ Maar ik geloof niet in slechtheid en absurditeit/ Ik weet dat de dankbaarheid opnieuw zal weerklinken/ En dat een eerlijk oordeel zal heersen in de harten/ Dat vrucht zal dragen als de lente.” Zo dicht de gekwetste parlementsvoorzitter ons toe vanuit de gevangenis met de poëtische naam "Matrozenstilte'. Deze week is het vooronderzoek afgesloten. De putschisten zijn in staat van beschuldiging gesteld wegens "poging tot het grijpen van de macht'. Het kan verkeren.