Twee blauwe bessen

Meneer Ratti stak de kaars aan, keek om zich heen en zei: “Mijn kelder staat stampvol en toch heb ik het merkwaardige gevoel dat het hier leeg is, leeg en koud.”

Hij liet het vuur in de kachel hoog oplaaien. Daarna drukte hij met zijn stok de lamp aan en de televisie, ging voor het toestel zitten en sukkelde binnen vijf minuten in slaap.

Toen hij wakker werd, was het programma allang afgelopen.

“Daar ben ik me in mijn stoel in slaap gevallen... als een ouwe man. En waarom is het licht aan? Omdat ik behoefte aan meer licht heb... als een ouwe man. En waarom is de kachel roodgloeiend? Omdat ik meer warmte nodig heb... als een ouwe man. Ts, straks moet ik me nog zo'n elektrische deken aanschaffen. Nee, het is afgelopen met mij. Ik heb immers ook geen trek in eten meer. En aan verzamelen, ts... als ik daaraan denk, wat word ik dan moe... als een ouwe, ouwe man.”

Peinzend, veel over zijn snorretje strijkend, bleef hij nog een tijdje opzitten, in gezelschap van het testbeeld. Toen zei hij: “Voor mij bestaat er ook een oplossing. Met andere woorden: ik zal buurvrouw Sijp haar zin geven... Dan ga ik nu maar naar bed. En ik neem mijn stok mee om de ellendige dromen van een ouwe man mee weg te meppen.”

Maar meneer Ratti sliep diep en droomloos, en voor dag en dauw stond hij op. Hij waste zich hier en daar, trok een schoon hemd aan, poetste zijn schoenen en wreef met hetzelfde doekje zijn stok op tot hij glom. Zo ging hij dan op weg naar "Huize Morgenschemering'. En al die tijd zei hij niets, tot hij in het tehuis aankwam.

“Goedemorgen meneer”, zei een verpleegster. “Wat kan ik voor u doen?”

“Ik ben een ouwe man, ik kom hier wonen.”

“Dan zullen we u eerst moeten inschrijven, meneer.”

“Waarom heet het hier Morgenschemering in plaats van Avondschemering?”

De verpleegster bekeek meneer Ratti van top tot teen. “Hoe oud bent u?” vroeg ze argwanend.

“U bedoelt of ik wel oud genoeg ben? Ja hoor, ik ben zoveel dagen oud als nodig is om een paspoort voor deze bejaardenherberg te krijgen.”

“Toch moet u zich eerst inschrijven, meneer eh..?”

“Meneer Ratti.”

“Ratti?!” kraste een harde, scherpe stem.

Meneer Ratti draaide zich en zag een stokoud vrouwtje staan.

“Reintje Tip!” riep het vrouwtje. “Als ik het niet dacht: jij bent Reindert Adriaan Theodor Tip!”

Meneer Ratti herkende zijn oude schooljuffrouw.

“Juffrouw Krauff...” stamelde hij.

“Hou je mond! Hoe kom je erbij dat je meneer Ratti heet, Reintje Tip? Jongetjes als jij worden nooit een meneer!”

“Maar u moet al honderd zijn...”

“Hou je mond! Ik ben vierennegentig en ik weet alles! Weet je nog dat je altijd onvoldoendes had? Daar zorgde ik wel voor! En die lange neus van je, die heb je ook aan mij te danken! Wat trok ik daar graag aan... Ik heb je heel wat keertjes in de hoek laten staan en je voor je billen gegeven tot ze eruitzagen als twee blauwe bessen! Kom jij hier wonen, Reintje Tip? Mijn handen jeuken... Schrijf die puk van me maar gauw in, zuster, want straf geven is goed voor mijn bloedsomloop!”

“Kalm toch juffrouw Krauff”, zei de verpleegster.

“Jij moet ook je mond houden, meisjespuk! O, Reintje Tip, wat zal het ouderwets spannend worden in Morgenschemering! Ze hebben hier in de keuken enorme pollepels!”

Meneer Ratti liep langzaam maar zeker naar de uitgang.

“Waarom loop je weg, Reintje Tip?”

“Omdat ik geen billekoek lust, juffrouw Krauff.”

“Wat zijn dat voor onbeschofte manieren!” krijste ze. “Kom onmid-del-lijk hier!”

“Maar ik weet wat ik wèl wil”, riep meneer Ratti. “Ik ga op reis!”

“In de hoek met 'm! In de hoek!”

“Doe het zelf, juffrouw Krauff! En wee je gebeente als je er uit komt!”

Meneer Ratti zwaaide met zijn stok en verdween door de draaideur.

wordt vervolgd