Tritonus

In het artikel "Tritonus' zegetocht' (CS 27-12) schrijft Paul Luttikhuis: “De vroegste, nog anonieme componisten dachten niet lang na over hoe het hoorde, ze verzonnen gewoon muziek.

Pas toen hun melodieën genoteerd moesten worden (. . .) diende er orde te worden geschapen.'' Op deze zaken valt heel wat af te dingen. Ten eerste is niet duidelijk welke periode bedoeld wordt met dat "vroegste'; ten tweede lijkt het aannemen van het bestaan van componisten in een muzikale prehistorie verdacht veel op het verkondigen van het bestaan van literatoren vóór de uitvinding van het alfabet!; ten derde houdt het ontbreken van geschreven regels niet automatisch in dat er in het geheel geen regels zijn. Tenslotte impliceert dit citaat dat de Westerse muziek pas tot ontwikkeling kwam na de invoering van notatie.

Als je het hebt over een uitgebreide periode waarin muziek bestond die niet vastgelegd was in een schrift, dan heb je het per definitie over een mondelinge traditie. Van een samenleving zijn alle voortbrengselen uit de orale traditie, zonder een enkele uitzondering, gebonden aan formele en inhoudelijke regels waarbinnen voor de uitvoerder speelruimte bestaat om te improviseren en varaties aan te brengen. Functie (en dus betekenis) en vorm zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Variatie en improvisatie vormen de grondslag voor vernieuwing en evolutie van het repertoire. Dat laatste blijkt uit onderzoek dat (met name in Hongarije) gedaan is naar aanleiding van etnische muziek die in deze eeuw op geluidsdragers gezet is.

De vroegste schrifturen van culturen bestaan in veel gevallen uit opgetekende mondelinge overleveringen. Dat maakt het aannemelijk dat hetzelfde geldt voor de eerste vastgelegde melodieën, die zich naar alle waarschijnlijkheid aan de hierboven genoemde regels aangaande orale traditie gehouden hebben. Daarmee wordt het gebruik van het woord "componisten' misplaatst en nodeloos verwarrend; helemaal dubieus wordt het idee van toondichters die niet lang nadachten over hoe het hoorde, maar muziek verzonnen met dezelfde plotse willekeur waarmee een vandaal zijn omgeving te lijf gaat.

Het is een bekend gegeven dat de kerkelijke autoriteiten in de Middeleeuwen in hun levensbeschouwing een strikt normatief dualisme hanteerden - getuige ook het onderwerp van "Tritonus' zegetocht'. Het is nauwelijks aannemelijk dat die normering beperkt was tot op schrift vastgelegde zaken. Met andere woorden: je kunt veilig stellen dat de religieuze muziek ook vóór de uitvinding van de notatie aan strenge regels gebonden was.

Was de eerste gezichtsbepalende verandering in de westerse kunstmuziek de aanvang van de notatie, de tweede was de ontwikkeling van het toonsysteem zoals wij dat in onze academische cultuur kennen: een kristallisatieproces dat aan het einde van de zeventiende eeuw werd afgesloten met de invoering van de gelijkzwevende stemming van het klavier, waarin de gehele toonschaal (om redenen van timbre tegenwoordig zelfs het octaaf) fysisch zorgvuldig vals gestemd werd. Alle intervallen die zich buiten dit systeem bevinden, worden sindsdien ofwel van ondergeschikt belang geacht ofwel "vals' genoemd. Dit kristallisatieproces vond zijn apotheose in Bachs oefeningen voor "Das Wohltemperierte Klavier'. Aangezien de "ontdekking' van de duivelse tritonus in de loop van dat proces gedaan werd (Guido d'Arezzo beschrijft het verschijnsel al aan het eind van de tiende eeuw), is deze afstand op de hedendaagse piano vrijwel zeker een andere dan die welke in de Middeleeuwen waargenomen werd. En daarmee valt in feite de bodem uit het artikel over "de gemene wanklank'.

PS:

Overigens blijkt het niet eenvoudig te zijn om te achterhalen waarom de tritonus deel moest uitmaken van het middeleeuwse toonsysteem. Naslagwerken als Grove's Dictionary, boeken over muziekgeschiedenis (algemeen en met de Middeleeuwen als onderwerp) aanvaarden het verschijnsel als vanzelfsprekend, geven geen enkele verklaring - en de heer Luttikhuis volgt. Mij lijkt de meest plausibele verklaring dat men in de Middeleeuwen het octaaf doormidden kliefde in de stellige verwachting een prachtige consonant aan te treffen. Daarmee krijgt de "diabolus in musica' veel weg van een "deus ex machina'.

Naschrift Paul Luttikhuis:

Ook vóór de ontwikkeling van een muzieknotatie was het bedenken van muziek aan regels gebonden. Maar er moeten wel eerst bedenkers (componisten) zijn, we verzinnen ook pas verkeerregels als het te druk wordt op straat. De door Van Peer geciteerde zin vat een periode van vele eeuwen samen waarin muziek ontstond, in wisselwerking met een theoretisch systeem dat probeerde daarop greep te krijgen. De "orde' slaat op het toonsysteem dat de noten veel rigoureuzer aan banden legde, als gevolg van de wens om muziek schriftelijk exact vast te leggen. Een deel van de muzikale rijkdom uit het verleden is daarbij verloren gegaan, al hebben middeleeuwse theoretici ongetwijfeld hun best gedaan om er zo zuiver mogelijk mee om te gaan.

Guido van Arezzo, de belangrijkste theoreticus, vatte alle toonhoogten samen in een systeem van telkens zes tonen (de zogenaamde hexachorden, bestaande uit twee hele, een halve en weer twee hele noten), die hij ut(=do)-re-mi-fa-sol-la noemde. Melodieën die boven de hoogste toon uitkwamen, werden getransponeerd in een volgend hexachord, dat begon op de fa van het vorige. Vertaald naar de huidige notennamen: het eerste hexachord (durum van "hard', want zo klonk het in middeleeuwse oren) bestond uit de noten g-a-b-c-d-e. Het volgende was het meest "gewone', en werd daarom naturale genoemd, het begon op de fa (=c) van durum, kortom: c-d-e-f-g-a. De mi (b) uit hexachord durum en de fa (f) uit hexachord naturale vormen samen een tritonus, vandaar ook dat het rijmpje luidt: mi contra fa est diabolus in musica. De arme Guido wist met geen mogelijkheid deze duivel uit het systeem te werken, zelfs niet door in het volgende hexachord, dat mollum heette omdat in de middeleeuwse oren een weke klank had (f-g-a-bes-c-d), de b te verlagen tot een bes (waarmee de tritonus f-b werd vermeden).

De tritonus was dus voor Guido en zijn tijdgenoten niet zomaar een halvering van het octaaf, zoals Van Peer stelt, dat is redeneren vanuit van het moderne toonsysteem. Middeleeuwers dachten niet zo erg in octaven.