Toffe Morrie

In het dorp kwam ik Tor tegen. Zijn haar was heel kort geknipt en hij droeg een nieuwe spijkerbroek. “Goed, dat ik je tegenkom”, zei Tor. “Ik wilde je juist vaarwel zeggen. Ik neem namelijk afscheid van de landrotten. Ik ga de wereldzeeën bevaren. Maar eerst ga ik naar de zeevaartschool op Terschelling. Wil jij Morrie hebben?”

“Als je geen ander huis voor Morrie weet, mag hij wel een tijdje bij mij komen logeren”, zei ik tegen Tor. “Te gek”, zei Tor, “dan kom ik Morrie straks even brengen.”

Aan het eind van de dag stond Tor voor de deur. Hij had een grote kooi bij zich waarover een geruite deken hing. “Waarom heb je een kooi meegenomen? Heb je soms geen kattemandje?” vroeg ik aan Tor. “Een kattemandje?” zei Tor verbaasd terwijl hij de deken van de kooi haalde. In de kooi zat een klein Capucijneraapje met pluizig behaarde oorrandjes en kastanjebruine oogjes.

“Donders, ik dacht dat Morrie een kat was”, zei ik tegen Tor.

“Een kat? Hoe kom je daar nou bij? Hiervan ga ik helemaal uit mijn bol”, zei Tor. “Morrie is een te gekke aap. Maar van die hufters op de zeevaartschool mag ik hem niet meenemen.” Tor zette de kooi op tafel en legde er een briefje naast. “Ik ga er weer van door want ik moet mijn plunjezak nog inpakken. Nou, tabee landrot en doe de groeten aan je vriend Jan”, zei Tor.

Daarna banjerde Tor fluitend naar de voordeur die hij met een ferme klap achter zich dicht trok. Ik liep naar de kooi om Morrie eens goed te bekijken. Het aapje zat ineengedoken op de bodem van de kooi en keek angstig om zich heen. “Je moet eerst nog even wennen, Morrie”, zei ik zachtjes door de tralies. Het aapje sprong onmiddellijk op, klemde zich vast aan de tralies en begon zo hard tegen me te krijsen dat ik er van schrok. “Heb je misschien zin in een pinda?” vroeg ik. Morrie griste de pinda tussen de tralies door uit mijn hand waarbij hij ook nog kans zag om heel hard in mijn wijsvinger te knijpen.

Ik pakte het briefje dat Tor had achtergelaten en las: “Morrie is een toffe aap maar hij heeft een bloedhekel aan meisjes en vrouwen. Morrie eet alles wat wij ook eten behalve capucijners. Hij lust ook geen spinazie. 's Morgens wil hij muesli of havermoutpap. Morrie moet veel rauwkost en vers fruit. Alles eerst goed wassen anders krijgt hij te veel chemische troep binnen. Morrie hoeft alleen 's nachts in zijn kooi. Overdag mag hij vrij rondlopen. Als Morrie keet gaat schoppen, moet je Jan erbij halen want naar vrouwen luistert hij niet. Als Morrie je gaat bijten, hoef je niet bang te zijn want dat doet hij altijd met vrouwen die hij niet kent. Doe Morrie de groeten en tot ziens, Tor.”

De volgende morgen opende ik de apekooi om Morrie zijn ontbijt te geven. Morrie viste druiven en stukjes appel uit de muesli en begon toen klodders muesli-brei naar me te gooien. Daarna klom hij op zijn kooi en vandaar sprong hij via de vensterbank op een kast. Vanaf de kast sprong hij pardoes op mijn hoofd en begon aan aan mijn haren te trekken. Nadat Morrie in de keuken alle kruidenpotjes had geleegd, bladen uit het telefoonboek had gescheurd, een springbalsemien door de kamer had gegooid en een plasje op de stoel had gedaan, zette hij de televisie aan. Hierna viel hij in slaap.

“Wat een leuk dier”, zei mijn vriend Jan toen hij het slapende aapje voor de televisie zag zitten. “Dat is Morrie. Morrie houdt niet van vrouwen”, zei ik tegen Jan. “Ha, die Morrie”, zei Jan toen het aapje wakker was. Het aapje kroop meteen in Jans armen en legde zijn lange, harige apenarmpjes met leren vingertjes om Jan zijn nek. “Ik neem Morrie mee naar mijn werkkamer. Ik vind het wel gezellig om een aap als kamergenoot te hebben”, zei Jan.

“Woont Morrie nog steeds in je werkkamer?” vroeg ik na een tijdje aan Jan. “Morrie vermaakt zich daar best”, zei Jan. “Ik denk dat ik een computer voor hem koop want nu gebruikt hij de mijne. Morrie zit de hele dag achter mijn computer. Hij drukt alle toetsen in. Af en toe bijt hij per ongeluk een snoer door, dat is een beetje lastig.”

Op een dag lag er een ansichtkaart in de bus. Hij was gestuurd door Tor. “Beste Morrie, Ik ben opperhoofd geworden van een dorp waar vroeger koppensnellers hebben gewoond. Hartelijke groeten van Tor”, stond er op de ansichtkaart geschreven. “Dat betekent dat Morrie op mijn werkkamer moet blijven wonen”, zei Jan. “Maar een huis is geen goede plek voor een capucijneraapje. Morrie is erg eenzaam.”

Morrie woont nu al weer heel lang op de apenrots in de dierentuin. De andere apen hebben hem in het begin een beetje gepest. Morrie heeft toen zo hard gekrijst en zo hard gebeten dat de andere apen zich dood zijn geschrokken. Jan en ik gaan geregeld naar de dierentuin om hem te bezoeken. Tegen mij krijst het aapje nog steeds. Maar als Morrie de stem van Jan herkent, begint hij zich deinend over de apenrots te bewegen, alsof hij een vreugdedans uitvoert.