Thomas Bos heeft zich van duiveltje in zijn hoofd bevrijd

HEERENVEEN, 17 JAN. Aan het einde van het gesprek omschrijft Thomas Bos zichzelf als een “nuchtere realist”. De 23-jarige schaatser uit Naaldwijk mist de flair van Bart Veldkamp of de grote bek van een andere generatiegenoot, de momenteel geblesseerde Ben van der Burg. De flegmatieke Bos, een technisch bijna volmaakte rijder, is lid van het Nederlandse kwartet dat vanmiddag in Heerenveen is begonnen aan het Europese kampioenschap van de allrounders.

Het is al het vierde EK van Bos. Sinds hij in 1988 lid werd van de kernploeg van bondscoach Ab Krook is hij naar zijn zeggen elk jaar harder gaan rijden. “Maar de anderen helaas ook”, voegt hij daar onmiddellijk aan toe. Zo is Bos nog altijd niet veel verder gekomen dan een plaats in de schaduw van de kampioenen. En het zal hem moeilijk vallen die positie te verlaten, beseft hij. “Want de top wordt steeds breder. Afgelopen weekeinde, in Davos, kwamen liefst vijf deelnemers op de vijf kilometer onder de 6.53.”

Bij de vorige EK, twaalf maanden geleden in Sarajevo, eindigde Bos als vijfde. En dat, weet hij nog, terwijl hij werkelijk “belabberd” reed. “Als ik toen in supervorm was geweest, had ik in Joegoslavië op het podium gestaan. Nee, ik had dan niet gewonnen. Die Koss was uiteraard veel te sterk.” Bos, klaar met de MTS en nu en dan bezig met een cursus technische automatisering, zegt de hoop op een internationale titel bij de allrounders nog niet te hebben opgegeven. Om zo ver komen, realiseert hij zich, zal hij heel hard moeten knokken. En zal hij zich sterk moeten maken bij alle onvermijdelijke tegenspoed.

Dat laatste doet hij niet alléén. Bos heeft daarvoor de hulp ingeroepen van een vrouw, wier naam hij liever niet noemt. “Ze hangt de alternatieve geneeswijze aan. Zo iemand is onmisbaar voor een topsporter, geestelijk en lichamelijk. Kleine problemen los ik zelf wel op, maar bij grote tegenslagen heb je wel eens een ruggesteuntje nodig.” Zo ging Bos twee jaar geleden bij haar te rade om te worden verlost van het duiveltje in zijn hoofd. “Er zat iets in mijn kop”, legt hij uit, “dat iets zei van: ach, Thomas, maak je niet zo druk. Sloof je niet zo uit in onbelangrijke wedstrijden of op de training. Een slecht advies natuurlijk, want je moet altijd op scherp staan. Vandaar dat ik per se van die kwelgeest afwilde.”

Voor Bos vormt ook Krook een belangrijke steunpilaar. Daarom vindt hij het spijtig dat de trainer in maart stopt. Hij zegt te hopen dat Krook nog op die beslissing terugkomt. Nee, ook Bos is niet zo kapot van Leen Pfrommer, de baas van Jong Oranje, die de schaatsbond als mogelijke opvolger van Krook in gedachten heeft. Bos laat doorschemeren dat de verdiensten van Pfrommer enigszins worden overschat. “De jongeren die bij hem komen, zijn gewoon al heel goed, dank zij de uitstekende begeleiding in de gewesten.” Bij dit EK is Gerard Kemkers nationaal ploegleider en helper van Krook op het ijs. Bos: “Ik wil nergens op vooruit lopen, maar Kemkers zou voor mij best acceptabel zijn als de nieuwe bondscoach.”

Voor de allrounder Bos weegt de 5000 meter van de EK in de Thialfhal vanavond zwaar. Een goede prestatie immers vergroot zijn uitzicht op Olympische deelneming op deze afstand, waar Veldkamp en Leo Visser al een toegangsbewijs hebben. Bos, bij de winterspelen in Albertville zeker van de partij op de tien kilometer, moet in elk geval sneller zijn dan 6.51.7. Die tijd bracht Robert Vunderink, zijn grote concurrent voor de derde Nederlandse olympische startplaats, in januari bij de nationale afstandskampioenschappen op de klokken. Bos gokt op 6.47 of 6.48.

“Dan ben ik, denk ik, meteen aangewezen. Kom ik op 6.50 uit, dan zal de keuze moeilijk zijn voor de Begeleidings Commissie Kernploegen van de schaatsbond of eventueel het Nederlands Olympisch Comité.” De kans is groot dat de BCK en het NOC, als die situatie zich voordoet, een beslissingswedstrijd willen tussen Bos en Vunderink. Maar voor een dergelijke tweekamp, te houden op één of twee februari in Davos, heeft Vunderink al bij voorbaat bedankt omdat hij zichzelf niet kapot wil selecteren.

Bos heeft overigens alle respect voor Vunderink. “Knap van Robert, dat hij in elk geval (op de tien kilometer, red.) naar Albertville gaat. Vooral als je bedenkt dat hij een werkweek heeft van soms zestig uur. Hij is nog een pure amateur. Ik niet, ik doe vrijwel niks anders dan schaatsen. Maar ook ik ben dolblij dat ik aan de Olympische Spelen mag deelnemen. Als heel klein ventje zat ik al de hele dag voor de televisie naar die Spelen te kijken. Toen dacht ik: wat zou het toch mooi zijn als ik daar eens aan kon meedoen. Een droom wordt binnenkort dus werkelijkheid. En als ik daar in Frankrijk goud zou winnen, nou, dan denk ik dat ik ongeveer onsterfelijk word.”