Theedrinken is niet mijn sterkste kant; Marjon Brandsma over Baal, psychologische rollen en Hedda Gabler

De actrice Marjon Brandsma begon te spelen in de tijd van de Actie Tomaat. Zij was een van de oprichters van Baal dat onder leiding van Leonard Frank een van de spraakmakende gezelschappen van de jaren zeventig was. Na onder meer rollen voor de Haagse Comedie en Toneelgroep Amsterdam speelt Brandsma nu in De Eenzame Weg in de regie van Ger Thijs bij het Zuidelijk Toneel. “Misschien is het waar dat de lijn in mijn loopbaan onderbroken is, maar dat is geen frustratie voor me.”

De Eenzame Weg door het Zuidelijk Toneel is woe 22-1 te zien in de Stadsschouwburg Heerlen en t/m 18 maart elders in het land.

Ter gelegenheid van de oprichting van toneelgroep Baal in 1973, zei artistiek leider Leonard Frank: “Wij zijn gewoon leuke mensen die leuk theater willen maken”. In de archieven van deze krant komt haar naam pas voor in de bespreking van de tweede voorstelling van het nieuwe gezelschap, maar Marjon Brandsma behoorde wel degelijk tot de benijdenswaardige mensen van het eerste uur. Jaren later, in 1986, komt haar naam voor de zoveelste keer ter sprake in verband met Baal. In een gesprek ter gelegenheid van de opheffing van Baal zegt Frank enigszins verbitterd: “En wat zie ik (-) tot mijn verdriet? Marjon Brandsma, Edwin de Vries, Johan Leysen, min of meer door Baal geïnfecteerd en zeker niet de slechtste spelers, gaan spelen onder regie van Karst Woudstra in Bérénice van Racine bij het Publiekstheater en ik zie dat er van het ene moment op het andere niets, helemaal niets meer is dat me in de verste verte nog aan Baal doet denken. Ik heb ze gevraagd hoe dat komt en dan zeggen ze: "Ja, ja, als er niet voortdurend op gewezen wordt, dan gebeuren er andere dingen'.”

Die "andere dingen' mogen tot teleurstelling van Frank gebeurd zijn, de loopbaan van Marjon Brandsma verraadt dat zij daar voortdurend voor heeft opengestaan. Misschien is het daarom dat zij, op de enigszins melancholieke toon die de hare is, meteen al aan het begin van het gesprek zegt geleerd te hebben te relativeren. Uren later brengt zij die verworvenheid in verband met het vak dat zij beoefent: “Ik vind het vreselijk bij acteurs niet het personage te zien, maar verbitterdheid over hun carrière. Ouder worden betekent voor mij misschien wel voornamelijk: niet meer het gevoel krijgen dat mijn wereld instort als ik bij voorbeeld niet de rol krijg waarop ik hoop. De kunst is me niet meer te laten mangelen en tegelijkertijd mijn kwetsbaarheid te behouden.”

Risico's

“Jaja, ik weet het, dat klinkt gemeenplaatserig, maar op het toneel is kwetsbaarheid inderdaad een onmisbaar element. Je moet risico's willen nemen, dat is nu net het leuke van het vak. Als wantrouwen en angst de overhand krijgen, dan speel je slecht. Mensen die ik goed vind zijn altijd de mensen die op zoek zijn. Die verder gaan dan: het publiek of de krant vindt het goed. Paradoxaal genoeg zijn dat juist niet degenen die van hun gevoelens hun beroep maken. Het gaat niet zozeer om gevoelens alswel om het overbrengen daarvan en dat is tot op grote hoogte ambachtelijk en in belangrijke mate afhankelijk van de intelligentie van de acteur en zijn bereidheid na te denken.”

Marjon Brandsma (1943) begon professioneel toneel te spelen op het moment dat Actie Tomaat korte metten maakte met een, naar het oordeel van de oproerlingen, al te verburgerlijkte en versukkelde traditie. Met tomaten heeft zij toen niet gegooid, ze vond het "respectloos acteurs tijdens de uitoefening van hun vak zo te kwetsen'. Haar, naar eigen zeggen, "zeer bescheiden' revolutionaire elan uitte zich al eerder en intrinsieker. Al voordat zij in 1966 naar de Toneelschool ging, maakte zij met Leonard Frank bij het Studententoneel al een ander soort theater dan in het bastion van de reactie, de Stadsschouwburg aan het Leidseplein, te zien was. Ze leerde er ook Rein Edzard kennen, en Eddy en Cox Habbema, Peter de Baan, Bram Vermeulen en Freek de Jonge.

Zij volgden nog de traditionele opleiding, al bevond die zich "in een tussenfase, op weg naar vernieuwing'. In elk geval was het duidelijk dat zij "nooit bij een regulier gezelschap zouden belanden'. Die milde dwarsheid had behalve met de "tijdgeest' zeker ook te maken met het aantreden van Jan Kassies als directeur van de Toneelschool. Na Brandsma's jaar sloeg de democratie definitief toe en werden de spraaklessen, de lessen kostuumdragen, en de tekstanalyse vervangen door "de overtuiging dat alles spontaan uit het hart moest opwellen'.

Misschien dank zij haar overwegend traditionele vorming wekt Brandsma als een van de weinigen van haar leeftijdgenoten de indruk dat zij in een ander tijdsgewricht een ouderwetse ster zou zijn geworden, een ster als Ellen Vogel, Elisabeth Andersen, Ank van der Moer en Sigrid Koetse - om het bij de vrouwen van de generatie vóór haar te houden. Vanaf het eind van de jaren zeventig speelde zij grote rollen bij de Haagse Comedie en Het Publiekstheater, waaronder Racines, door Leonard Frank gewraakte Bérénice. Haar vertolking van Medea werd door Jac Heijer in deze krant geprezen als "hoogst origineel en door haar grote talent ook overtuigend'. En over haar Araminte in Marivaux' Les Fausses Confidences, onder regie van Jean-Paul Roussillon in 1984, merkte hij op: “Het is fantastisch te zien hoe genuanceerd (zij) vecht tegen de eisen van haar omgeving en tegelijk haar gevoelens onderdrukt. (-) Het zou een volmaakte rol geworden zijn, een topper in het Nederlandse toneel, als ze erin zou zijn geslaagd haar neiging tot teveel gedraai en armgewapper te beheersen. Een regisseur met meer oog voor mise-en-scène had haar daarvan weerhouden”. Voor deze rol kreeg Brandsma de Theo d'Or.

Heimwee

Aan die lauwering ging een periode vooraf waar ze "nu nog weleens heimwee' naar heeft: de tijd bij Baal. Na de Toneelschool speelde Brandsma een rol in Ardens Live like pigs bij het toenmalige Globe onder leiding van Ton Lutz, maar het aanbod er te blijven en het verzoek bij Centrum te komen spelen sloeg zij af. “Ik was geen wereldverbeteraar, maar ook mijn haren gingen recht overeind staan van bij voorbeeld de lessen van Ferd Sterneberg. Een kleurrijke en geestige figuur, vond ik ook toen, maar tijdens de les komediespelen - wat ons sowieso al volstrekt uit den boze leek - zei hij: "Je komt rechtsachter op, je loopt naar linksvóór - eenentwintig, tweeëntwintig, dan hebben ze je wel gezien - en dan gaat het mondje pas open'. Nou ja, we hadden natuurlijk veel hogere verwachtingen van de toneelkunst dan zo'n voorgebakken maniertje! Pas later krijg je in de gaten, dat zo'n aanwijzing wel degelijk nuttig kan zijn.”

Met het oude groepje studenten onder leiding van Leonard Frank ging zij aan de slag bij het even daarvoor door Kassies opgerichte Nederlands Instituut voor Theateronderzoek. Het waren de jaren dat Grotowski, het Open Theatre en het Living Theatre naar Amsterdam kwamen. “Niet de tomaten maar dat nieuwe, opwindende theater verwijderde ons van de Nederlandse Comedie. Bernlef, Jacoba van Velden en Judith Herzberg schreven teksten voor ons, Joyce Aaron van Open Theatre en Johan Greten lieten ons improviseren. Het Instituut was een kweekvijver voor schrijvers, regisseurs en acteurs. Het enige probleem was, dat je weinig podiumervaring opdeed en niet aan den lijve ondervond hoe het is om een voorstelling veertig keer te moeten spelen.”

De oprichting van Baal bracht daar verandering in. In haar herinnering bleef Brandsma er tot begin jaren tachtig, maar in werkelijkheid stapte zij in 1975 al op, weliswaar om vervolgens met grote regelmaat terug te keren "in het nest'. “Leonard Frank zie ik nog steeds als mijn leermeester, hij heeft mij gevormd en opgevoed. Baal was een commune, maar in een andere zin dan het Werkteater of het Onafhankelijk Toneel van Jan Joris Lamers. De laatste was een goeroe voor zijn groep en het Werkteater was een hecht gezin. Het privé-leven was een geïntegreerd onderdeel van het theatermaken. Baal was vooral een professionele clan van geestverwanten. Privé-leven bestond simpelweg niet, dat was voor Leonard Frank toen nog een vies woord.”

Meisjesrollen

“Frank was stréng; toen hij ons voor ons spel in Voor het pensioen, begin jaren tachtig, een compliment maakte, vonden we dat raar. Hij gaf ons altijd rollen die op het eerste gezicht niet bij ons pasten. Op de Toneelschool kreeg ik steevast de romantische, melancholieke meisjesrollen te doen, bij hem juist niet. Vlak voordat we van het Shaffy-theater naar Frascati zouden verhuizen had hij mij de rol van Lotte in Botho Strauss' Groot en klein beloofd. Door de uitgestelde verhuizing ging die hele voorstelling niet door, voor mij een enorme teleurstelling. Maar zeuren daarover kwam zelfs niet bij me op: dan was je "zo'n actrice'.

“De essentie van Baal was: waanzinnige energie, en met alle beschikbare middelen. Opkomen en báts: er zijn, overtuigend en onontkoombaar. Al was iets geen succes, wij wisten waarom het toch moest en wel op onze manier. Ik leerde er niets voor waar aan te nemen zonder na te denken. Wij waren kritisch over de maatschappij, ideologisch bevlogen en links-moralistisch, maar we spaarden ook onszelf niet. Althans Frank spaarde ons niet.”

Praten met Marjon Brandsma is praten over anderen, in gunstige zin. De goede ervaringen worden breed uitgemeten, de onaangenamere in algemene bewoordingen aangestipt. De vraag waarom zij Baal verliet, brengt enige verwarring teweeg, en de toedracht wordt aanvankelijk onder voorwaarde van strikte geheimhouding uit de doeken gedaan. “Gerardjan Rijnders kwam zijn eerste professionele regie bij ons doen, van Dumas' La Dame aux Camélias. Ik deed de titelrol, maar ik begreep eenvoudigweg niet wat hij van mij verlangde. Achteraf denk ik, weet ik zelfs, dat zijn cynisme mij boven de pet ging: daar was ik nog niet aan toe. Ik had er in elk geval zoveel problemen mee, dat ik gevraagd heb het dienstmeisje te mogen spelen in plaats van de dame. Door een rol terug te geven die ik niet begreep, handelde ik naar mijn vaste overtuiging in de geest van Frank. Maar uitgerekend hij zei: "Het is alleen maar angst voor een grote rol'.

“Naderhand is alles weer goedgekomen tussen ons, maar ik heb op staande voet ontslag genomen. Men dacht toen polariserender dan nu en ik ervoer Leonards opmerking dan ook als regelrecht verraad aan zijn eigen leer, net zoals sommigen bij Baal het als verraad zagen dat ik bij de Haagse Comedie ging werken. Ook ikzelf was me bewust van mijn overspel, maar ik vond dat ik iets totaal anders moest gaan doen, omdat ik dacht zonder Leonard tot niets in staat te zijn. En wat was er nu nog in heviger mate anders dan Baal dan de Haagse Comedie?”

De tijd die zij in Den Haag doorbracht is vooral gekleurd door de Fransman Jean-Paul Roussillon die haar onderscheiden Marivaux-rol regisseerde. “Hij was anders maar net zo indringend als Leonard. Hij heeft misschien wel mijn overgang naar de psychologische rollen gemarkeerd. Hij was ontwapenend, sloeg tien passen over in het winnen en geven van vertrouwen. Hij heeft me geleerd dat het zinloos is te denken dat iets ooit te moeilijk is. Niet de angst maar het gewoon doen is produktief. We hadden de voorstelling nog nooit aan één stuk gespeeld toen hij door omstandigheden terug moest naar Parijs. Het is heel raar dat wij dat durfden, maar Guido de Moor en ik hebben de première zonder hem gedaan. Hij zei: “Jullie kennen je personage, ga je gang.”

Alexandrijnen

Angst is een onderwerp dat herhaaldelijk terugkomt in het gesprek. Soms blijkt die uit te stijgen boven de banale plankenkoorts. In Bérénice, in de regie van Karst Woudstra, stond Marjon Brandsma "vijf pagina's berijmde alexandrijnen lang' alleen op het toneel. Geen medespeler, al was het maar zwijgend, geen stoel bood haar houvast. Ze had het gevoel zich "aan het licht vast te moeten grijpen om niet te vallen'. Het was pure doodsangst. Ze putte kracht uit de woede die zij voelde over “de onbeschaamdheid waarmee een ingewijde kring van toeschouwers hun ongenoegen over Karst Woudstra op de spelers verhaalden”.

Maar mede door die rol belandde Brandsma alsnog op de plaats waar de dochter van een Gooise dermatoloog die het op de Toneelschool "moeilijk' vond volgens de nieuwe gebruiken directeur Jan Kassies te tutoyeren, als vanzelfsprekend thuis leek te horen. De balletlessen die zij als kind en tiener volgde zijn aan haar rechte houding af te zien, haar verschijning is vóór alles beschaafd, haar stem heeft een donker en beheerst timbre. Welke rol zij ook vervult, Brandsma legt er een soort ongenaakbaarheid en afstandelijkheid in. Weliswaar speelde zij nog regelmatig bij Baal en trad zij, naast Ger Thijs, op in het fascinerende Het - een onder leiding van regisseur Jan Ritsema zelf samengestelde voorstelling op basis van Henry James' novelle "Het beest in de jungle' - haar loopbaan vertoonde toch steeds meer de trekken van die van een grote dramatische actrice.

Dat beeld veranderde weer door haar optredens bij Toneelgroep Amsterdam, onder leiding van Gerardjan Rijnders, waar zij vanaf het ontstaan in 1987 aan verbonden is. De grote rollen gingen naar Kitty Courbois, Sigrid Koetse en Chris Nietvelt - Brandsma deed een kleine zaal-solovoorstelling als De Caracal en trad op in montageprodukties als Bal en Bakeliet. In die laatste voorstelling speelde zij een vijftal typetjes, voerde een cabaret-achtig nummer uit en bracht de smartlap Kom matroos! ten gehore. Haar omgeving reageerde verbaasd, omdat het niet bij haar leek te horen.

“Ik vraag mij af of dat wel zo merkwaardig was. Bij Baal deed ik vaak niet anders. Misschien is het waar dat de lijn in mijn loopbaan onderbroken is, maar dat is geen frustratie voor me. Zo'n rol als in Bakeliet is opgebouwd uit improvisaties, die maak je zelf. Dat is gevaarlijk, maar daarom ook interessant. In een dramatische rol heb je de kans missers in de loop van de avond te corrigeren, maar deze moet er staan, meteen, zonder uitstel.

“Als ik bedenken moet wat ik graag had willen doen is het bij voorbeeld een rol in De Hoeksteen, die maatschappijkritische komedie van Gerardjan Rijnders van enkele jaren geleden. Dat is misschien het oude bloed dat dan weer opborrelt, maar toneel dat eropuit is verwarring te stichten trekt me nog steeds. In het klein geldt voor mijzelf hetzelfde. Ik denk niet aan een ontwikkeling die ik wel of niet doormaak. Ik heb het gevoel door elkaar gehusseld te worden en dat heeft als voordeel dat ik mijn grenzen kan verkennen. De grootte van een acteur wordt voor mij niet bepaald door de vraag of hij eindigt als King Lear, een rolletje in een of andere televisie-produktie kan even belangrijk zijn.”

Felheid

Hoewel zij beseft dat het een wens zal blijven omdat het stuk niet lang geleden is opgevoerd, bekent Brandsma nog eens Hedda Gabler te willen spelen. Met enige felheid zegt zij nooit een bevredigende vertolking van Ibsens tragische heldin te hebben gezien. “Ik zou willen dat men eindelijk eens zag hoe het bij haar zit: ze wil geen mensen pesten. Zij heeft een opgesloten gevoel waar ze niet aan ontsnappen kan. Daarom maakt ze zichzelf en haar omgeving kapot, ze is gevangen in een spiraal van destructie. Ik begrijp haar. Door haar vraag ik me altijd af of ik er wel verstandig aan doe om mijn intuïtie zo vaak door anderen te laten afpakken.”

Het is niet verbazingwekkend dat Brandsma Hedda Gabler noemt en zegt haar te begrijpen. De opmerking dat zij, ook op toneel, verdriet met zich mee lijkt te dragen, wordt gevolgd door een lange stilte. Dan zegt ze aarzelend: “Er zijn acteurs die uit woede spelen en dat herken ik. Over de oorzaken wil ik het niet hebben, maar ik heb - misschien nogal vreemd voor een actrice - verleerd me te uiten. Ik ben niet gezellig, theedrinken is niet mijn sterkste kant. Vakantiehouden op één plek maakt me panisch, ik moet reizen. Daarom was Baal een ideale plek, dat was professionele verwantschap, geen familie.

“Ik weet niet hoe ik leven moet en door veel te doen kan ik het toch. Werken verhindert me depressief te worden. Dat wil niet zeggen dat ik het toneel als een therapie zie, het heeft zelfs geen therapeutische kanten. Het is een vak, geen oplossing. En het is een vak waarvan ik als kind al wist: daar hoor ik thuis.

“Daarom ook zou ik willen dat toneelspelen belangrijker gevonden werd dan het gevonden wordt, ook door regisseurs, ja. Die zouden het net zo serieus moeten nemen als hun eigen vak en decors ontwerpen. Het is te vaak: mooi, die komt wel ongeveer in de richting. Regisseurstoneel bestaat niet, zonder acteurs bestaat toneel niet. Hoe onpsychologisch hun rollen ook mogen zijn, hoezeer zij ook abstracties verbeelden, ook die abstracties hebben met mensen te maken. Anders toon je namelijk niets, tekstverwerkers staan op kantoor, niet op toneel. Waar het op neerkomt is dat ik acteren geen grapje vind, geen vrijetijdsbesteding.”

Gevraagd of er een ideaal eindpunt is voor de actrice Marjon Brandsma, zegt zij: “Eenvoud. Geen versieringen, alleen het allernoodzakelijkste”. Alsof zij het ook zelf te dooddoenerig vindt klinken voegt zij na een stilte toe: “Niet meer liegen. Dat wil ik. Ik lieg nog altijd op toneel, uit angst of uit gemak. Doordrongen raken van het besef, dat het zou moeten kunnen en het dan ook doen lijkt mij het hoogst haalbare. En vooralsnog, te vaak nog, onmogelijk.”