Sporen van flamenco bij Algerijnse luit en fluit

Concert: De Algerijnse vocalist en luitspeler Salim Fergani met Mourad Aib (fluit, hobo, vocaal) en Chaouki Benahsene (vaastrommel, vocaal).

Gehoord: 16/1 Soeterijn, Amsterdam; Verder te horen: 17/1 De Evenaar, Rotterdam, 18/1 RASA, Utrecht

Dat kunst en politiek veel met elkaar te maken hebben, is het Tropeninstituut niet onbekend: het weet er mee te leven. Deze weken echter dringt de politieke realiteit zich wel erg sterk op. De aangekondige "Vrouwenstemmen uit de Oekraïne' zullen zich niet laten horen omdat hun Sovjet-paspoorten ongeldig zijn en Oekraïense nog niet voorhanden. De voor februari geplande "Ghazals uit Oesbekistan' moesten eveneens worden geschrapt. Gisteren was het Ghouli Bachir, trommelspeler en vocalist in het ensemble van de Algerijnse vocalist en luitspeler Salim Fergani, die wegens visum-problemen verstek moest laten gaan.

Voor een groot orkest is het ontbreken van één lid hoogstens vervelend, voor het viermansensemble was het bijna een ramp. Een klassiek westers kwartet zou het optreden onmiddellijk hebben geannuleerd, Fergani en de zijnen probeerden er, verstandig of niet, het beste van te maken.

De problemen blijken het grootst bij de vraag- en antwoordzang, één van de karakteristieken van de door Fergani voortgezette klassieke Andalusische traditie. De losse, heterofone aanpak die bij een flink bezet koor juist voor zulke opwindende effecten kan zorgen, werkt bij deze kleine bezetting niet, althans niet goed. "Die twee mannen zingen niet gelijk', luidt de onvermijdelijke en nogal prozaïsche conclusie. Wanneer Mourad Aib zijn fahl, een kleine rechte houten fluit, bespeelt, en dus niet kan zingen, is het resultaat nog onthutsender, Chaouki Benahsene speelt prima darboeka (vaastrommel) maar zijn stem is niet fraai en nogal onvast.

Vrijwel alles moest dus van Salim Fergani zelf komen, de onbetwiste leider van de klassieke school van de Noordalgerijnse stad Constantine, één van de uitwijkplaatsen van de Moren die aan het eind van de vijftiende eeuw uit Spanje werden verdreven. Zijn spel op de zelden meer bespeelde 'ud Arbi', een Arabische luit met vier dubbele snaren, is intiem en zonder overbodig vertoon, zijn zang is krachtig, genuanceerd en gaat bij vlagen door merg en been. De banden met de Spaanse flamenco zijn overduidelijk, de lijnen zijn echter vloeiender, de expressie is minder rauw, de sfeer introverter.

Dat deze "Mesjoel'-muziek aan het einde van het concert minder opgewekt klinkt dan op papier is beloofd - bij bruiloften en partijen stelt men zich iets anders voor dan drie stijve heren op stoelen - is onder deze omstandigheden begrijpelijk. Toch zou Salim Fergani de komende dagen zijn programma best spannender kunnen maken. Drastisch inkorten zou bijvoorbeeld heel verdedigbaar zijn. Ruim twee uur muziek is veel meer dan men van een geamputeerd kwartet verwachten mag.