Over tien jaar dateert "moderne' muziek uit vorige eeuw; Een wals die geen wals is

Concert: Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly met Paul Verhey (fluit) en Maurice Bourgue (hobo). Programma: Maderna, Grande aulodia; Schönberg, Kammersymphonie nr.1; Ravel, La valse. Gehoord: 16/1, Concertgebouw, Amsterdam. Radio: 29/1, Radio 4.

Frans impressionisme, Italiaans belcanto en Duits expressionisme werden gisteravond in de C-serie van het Concertgebouworkest met elkaar gecombineerd. Of moet ik zeggen: een wals die geen wals was, een dubbelconcert dat geen concert was en een symfonie in de vorm van een soort kamermuziek, klonken in de moderne serie. Want verder zie ik geen verwantschap tussen de geprogrammeerde werken, of het moet zijn dat ze alle drie in deze eeuw gecomponeerd werden. Dat is tenslotte de objectieve norm om een plaats te krijgen in de C-serie.

Hoe groot zou de invloed zijn van de komende eeuwwisseling op het begrip moderne muziek? Nu kunnen we "modern' nog als een synoniem gebruiken voor "twintigste eeuws', maar over tien jaar zijn Schönbergs Kammersymphonie (1906) en Ravels La valse (1920), en zelfs Grande aulodia (1970) composities van de vorige eeuw. In dit verband is het veelzeggend dat zowel Schönberg als Ravel de komende tijd ook in de andere series van het Concertgebouworkest te horen zijn.

Van deze drie klinkt, merkwaardig genoeg, La valse nog het minst gedateerd. Ravels kleurrijke spel met de clichés van de wals - de opstapeling van ornamenten, de golvende aanloop naar een climax die voortdurend smoort in opgelegde ingetogenheid, de dikke vioolklank die maar niet echt los wil komen van de totale orkestkleur, het slagwerk dat zijn eigen wetten hanteert - is een tijdloos betoog, dat door het orkest en dirigent Riccardo Chailly heel doorzichtig werd verteld.

Daarentegen heeft Maderna's klankschilderij iets ouderwets. De opbouw van Grande aulodia is helder: twee solisten (degelijke partijen van fluitist Paul Verhey en hoboïst Maurice Bourgue) staan geplaatst tegenover een in groepjes uiteengevallen orkest. De solisten reageren op elkaar en het orkest lijkt een versterkte echo van fluit en hobo. Waardoor die ouderwetsige klank precies ontstaat, is moeilijk te zeggen. Was het de toen waarschijnlijk verrassende, maar inmiddels al te vaak gehoorde ijle solo en de scherpe secundes aan het begin, de zoele wind die Maderna af en toe door het orkest laat waaien, het iets te voor de hand liggende spel tussen soli en tutti? Of lag het gewoon aan orkest en dirigent, die nog niet helemaal bij de les leken te zijn? Juist muziek die het vrijwel geheel moet hebben van spannende klanken, heeft een optimale zorg nodig.

Die zorg werd wel besteed aan Schönbergs tot één deel voor vijftien instrumenten gecomprimeerde symfonie, waarin alle elementen van een groots symfonisch werk aanwezig zijn, alleen over elkaar heen geschoven en uitvergroot. Chailly wist het merkwaardige, doorwrochte stemmenweefsel van Kammersymphonie nr.1 voortdurend helder en analytisch weer te geven. Maar hij kon onmogelijk verhelen dat Schönberg in deze oude muzikale taal bijna was uitgesproken.