Moppen en anekdoten uit de zeventiende eeuw; Kortswijl contra langwijl

Waren tijdens de Gouden Eeuw de stedelingen in Nederland nijver en godsvruchtig en de boeren dom en liederlijk? Uit twee onlangs verschenen boeken met zeventiende-eeuwse moppen en anekdoten blijkt dat ook onder de elite een hoge mate van platvloersheid heeft bestaan, en dat veel dagloners een braaf leven hebben geleid.

Jelle Koopmans en Paul Verhuyck: Een kijk op anekdotencollecties in de zeventiende eeuw/Jan Zoet, het leven en bedrijf van Clément Marot. Uitg. Rodopi, 370 blz. Prijs ƒ 80,-

Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae, een zeventiende-eeuwse verzameling moppen en anekdotes, uitgegeven door Rudolf Dekker en Herman Roodenburg, m.m.v. Harm Jan van Rees. Uitgegeven door het P.J. Meertens Instituut voor Dialektologie, Volkskunde en Naamkunde, 484 blz. Prijs ƒ 62,50.

Hoe vrolijk waren de Nederlanders vroeger? En hoe kunnen we daar voor de tijd van Bredero en Cats, van Frans Hals en Rembrandt achter komen? Op zoek naar een nationale volkstrek in de zeventiende eeuw stuiten we op twee varianten: een sobere en een losbandige. Er bestaat een beeld van een nijver, godsvruchtig, sober en huiselijk levend volk, met als nationaal devies "doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg'. Er zijn veel gegevens die dit beeld kunnen staven. Er verscheen een massa van calvinistische moraal doordesemde literatuur. De bijbel en gezangenboeken kwamen in de meeste huishoudens voor en daar viel niet zo bijster veel om te lachen. Vader Cats mocht dan eveneens hoog op de toptien prijken, diens humor was toch vooral goed voor een olijke glimlach achter een opgeheven vinger. En wie bijpassende portretten zoekt van die nuchtere Nederlander kan zich moeiteloos verliezen in strenge koppen, van mannen en van vrouwen met wie niet te spotten viel. Dat waren de handhavers van orde en tucht, trouwe bezoekers van de kerken van Pieter Saenredam en bewoners van de schone straten van Berckheyde en Jan van der Heyden.

Het andere beeld van de Nederlander is dat van een boers ongemanierd volk, zonder gevoel voor decorum, onverzadigbaar wat betreft drankgebruik en "toeback-suyghen'. Dat is de Nederlander die weinig op heeft met de dominee en de schoolmeester en die ondanks tekenen Gods als watersnoden, branden, pestepidemieën en kindersterfte niet erg geneigd was tot ingetogen vanitasgepeins. Integendeel, het kon niet op met potverteren in de herberg, kermisvieren en bordeelbezoek. Ook deze Nederlanders kennen we uit de schilderkunst. De boerentafereeltjes van Adriaen Brouwer en de gebroeders Van Ostade, de onbedaarlijke herrie bij Jan Steen.

Er is wel gedacht dat deze twee werelden ook twee sociale klassen vertegenwoordigden: de regenten zijn oppassend en beheerst, ze bewaken de goede zeden, het lagere volk daarentegen en vooral de boer is in principe bandeloos. In de beeldtraditie is er zeker zo iets aan te wijzen. Het platteland kon een arcadische betekenis hebben, maar was toch bij uitstek ook het woonoord van domme boeren. Dit is het beeld dat de stedelijke elite graag zag. De grote stad lachte het platteland uit. Omgekeerd moet dat ook zijn gebeurd, maar daar weten we veel minder van af. Spot jegens burgerlui leest men eerder tussen de regels in allerlei populair proza dan dat het op schilderijen te zien is. Daarom heeft het beeld van een strenge keurige bovenlaag en een platvloerse onderlaag in de zeventiende-eeuwse samenleving zo hardnekkig stand gehouden. Het is het beeld dat diezelfde regenten door de schilderkunst succesvol hebben nagelaten. De negentiende eeuw heeft dunkt mij de zeventiende bovendien nog eens flink gecalviniseerd.

Scrabreus

Hoe was de werkelijkheid? Hoe geciviliseerd en hoe streng in de leer was de Nederlandse samenleving en vooral die elite nu werkelijk? We weten het niet precies, maar er zijn toch vele aanwijzingen dat althans onder een groot deel daarvan een hoge mate van platvloersheid heeft bestaan. Processtukken, kerkeraadsnotulen, de aanwezigheid van pornografische literatuur in particuliere bibliotheken en niet voor de openbaarheid bedoelde dagboeken wijzen sterk in die richting. Die voorkeur voor platheid en liederlijk gedrag hoefde intellect, goed staatsmanschap of burgerzin overigens helemaal niet uit te sluiten. Omgekeerd heeft menig dagloner, boer en schoenlapper een braaf en oppassend leven geleid.

Twee recent verschenen boeken doen meer licht vallen over de scabreuze mentaliteit die in aanzienlijke lagen van de bevolking moet hebben geheerst. Een kijk op anekdotencollecties geeft een uitvoerige inleiding op het literaire genre van het kluchtboek, en bevat een teksteditie van een in Nederland veel gedrukt boekje in dit genre, Het leven van Clément Marot. Het andere boek is een bronnenuitgave met 2064 moppen en anekdotes die de Haagse advokaat Aernout van Overbeke omstreeks 1673 heeft opgetekend. Het manuscript werd enkele jaren herontdekt in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.

Clément Marot was een Fransman uit de eerste helft van de zestiende eeuw. Hij had een functie aan het hof en publiceerde satires, gedichten en psalmberijmingen, die alle vele malen herdrukt en vertaald werden. Zijn naam werd zo'n beetje synoniem met alles wat snaaks en mallotig was en waarschijnlijk daarom gaf de Amsterdammer Jan Zoet in 1655 zijn anekdotenbundel de titel Het leven van Clément Marot. Hij suggereert dat het een vertaling is van een van Marots boeken, maar het origineel is nooit gevonden en waarschijnlijk heeft Zoet zijn verhaaltjes her en der bijeengegraaid, onder andere uit wel bekende werken van Marot. Hoe dan ook, dit boekje met 71 korte grappige verhalen had een groot succes en beleefde tot het begin van de negentiende eeuw 22 herdrukken.

De bezorgers van dit boekje plaatsen het in Europees verband. Het kluchtboek wortelt in een middeleeuwse traditie en bestaat uit een heterogene verzameling moppen, anekdotes, woordgrappen en soms gedichtjes, die in vele landen in wisselende samenstellingen opduiken. Ze waren bedoeld om de tijd aangenaam door te brengen, om de verveling te verdrijven en de melancholie te doden. Het was kortswijl als wapen tegen de langwijl, vandaar titels als De Kluchtige Tijverdrijver, De Nederlandsche Wechkorter en de Vaakverdijver, die zich werkelijk richtte op "Swaarmoedige geesten'. De voorwoorden richtten zich op de jeugd, maar waarschijnlijk was dat een truc en smulden de volwassenen er ook van. Dat moppen functioneerden in bepaalde groepen en dat deze groepen zich daarmee onderscheidden van andere groepen is bijna een gemeenplaats. In dit geval kunnen de moppen anti-katholiek zijn, gericht tegen een andere natie of een andere streek of tegen een bepaalde beroepsgroep, zoals artsen en professoren.

Advocaat

Tegen de achtergrond van deze veelverkochte soort lectuur moet men de anekdotenschat zien die Aernout van Overbeke heeft aangelegd. Van Overbeke (1632-1674) staat in de literatuur bekend als de auteur van een postuum verschenen bundel vrolijke gedichten. Hij moet een levenslustige, door chronisch geldgebrek geteisterde advocaat zijn geweest, met een vaste vriendenkring. Deze bestond uit Haagse notabelen, hoge ambtenaren, advocaten, notarissen: het keurige gestudeerde hogere kader met een universitaire opleiding en een Grand Tour achter de rug en thuis een gezin. Zijn meer bekende tijdgenoot W.G. van Focquenbroch, zou volgens diens uitgever graag de tijd met Van Overbeke "al dampende en rijmende' hebben doorgebracht. In 1668, hetzelfde jaar waarin Focquenbroch naar de Goudkust vertrok, reisde van Overbeke naar de Oost waar hij vier jaar later weer van terugkeerde. Over zijn reis publiceerde hij een vaak herdrukt verslag.

Aan het eind van zijn leven heeft Van Overbeke zijn uitvoerige lijst met moppen en anekdoten opgeschreven. Hij moet ze vergaard hebben tijdens de vele muziekavondjes, wandelingen en eetpartijen die hij met vrienden doorbracht en een aantal ontleende hij direct aan gedrukte moppenboeken. Het bijzondere van deze collectie is dat hij nooit is uitgegeven en derhalve ook niet is gecensureerd. Van Overbeke schreef gewoon op wat hij hoorde in een onverbloemde, strakke vorm. Een latere eigenaar van het manuscript heeft helaas wel een aantal forse en pennestreken met onuitwisbare inkt door verschillende passages gehaald.

Als deze anekdotes representatief zijn voor de gezellige kout die dit soort lieden in Nederland onderhielden, en dat is niet onwaarschijnlijk, dan is het beeld van calvinistisch Nederland dringend aan revisie toe. Er zijn onschuldige woordspelingen bij, lange grappige anekdotes, korte uitspraken, recente roddels en verhaaltjes waarvan de pointe nu zouteloos klinkt, maar waar men veel Rijnwijn en geschater bij moet denken. In de verhalen wordt veel gedobbeld en gegokt en veel over vrouwen gesproken en in dit mannengezelschap niet in al te gunstige zin. De meeste teksten getuigen van een sterke preoccupatie met pies, poep en seks. Hoererij, overspel, huwelijksruzies en dronkenschap, vormden een oeverloze bron van vermaak. En het zijn niet alleen de boeren die zich aan de lage lusten overgeven, ook de aanwezigen zelf of hun kennissen figureren hier. En passant krijgt men een indruk van het intellectuele ideeënkader van het gezelschap: ze kenden Frans, Italiaans en Latijn en waren goed op de hoogte van het Oude en Nieuwe Testament en van de verhalen uit de klassieke Oudheid, die eveneens als in een lachspiegel te voorschijn komen.

Hoe beknopt ook opgeschreven, de anekdotes zijn toch heel beeldend. We zien jongelui op hun speelwagen, kermisgasten, trekschuitreizigers, kroeg- en bordeelscènes, rechtzaken en bruiloften. Sommige verhalen zijn een regelrechte slapstick. Zoals de geschiedenis van een zekere Jodocus Anastasius Kreutznach die na een lange reis smerig en wel, met zijn bespoorde laarzen nog aan, op een bruiloft kwam. Hij werd aan een lange tafel met zijn rug tegen de muur gezet en vroeg om een stuk gans. Hij kreeg een pootje, prikte hem aan zijn vork, maar het viel op de grond. Toen hij zich bukte bleek hij plotseling zijn darmen niet meer onder controle te hebben. Beschaamd besloot hij te vertrekken, probeerde over de tafel te stappen, haakte met zijn sporen in het tafelkleed en viel met kleed, maaltijd en servies aan de andere kant van de tafel op de grond. Eenmaal overeind gekrabbeld wist hij niet hoe snel hij naar de deur moest komen, de trap af. Daar kwamen juist de bediendes met verse spijzen op dienbladen naar boven, die alle ondersteboven werden gelopen.

Moppenklimaat

Waarom legde van Overbeke deze thesaurus van moppen aan? Waarschijnlijk om ze paraat te hebben, om nooit om een bon mot, een anekdote verlegen te zitten, om voor ad rem, geestig en ontwikkeld door te gaan. En misschien wel om ze ooit uit te geven. Ze zouden evenals het boekje van Jan Zoet, aan wie hij overigens enige anekdoten ontleent, zeker een succes zijn geworden, waarna van Overbeke ook financieel wat zorgelozer had kunnen leven. Deze uitgave is niet alleen een eerbetoon aan een van die merkwaardige libertijnse geesten die hier in de Gouden Eeuw rondwandelden, maar het is ook een bron waarmee de nuances van de Nederlandse zeventiende-eeuwse mentaliteit beter belicht kunnen worden.

De vele gedrukte anekdotenbundels, die keer op keer herdrukt werden, gaven al aan dat er een Europees moppenklimaat bestaan heeft, dat beslist niet beperkt was tot de zo vaak lachend en dronken uitgebeelde lagere standen. Er moet een soort humor zijn geweest die universeel, van hoog tot laag begrepen werd. Ook in de elitekringen. Die kringen zijn er vrij goed in geslaagd een beeld van deftigheid op te houden, van een leven naar de officiële moraal waarbij zij zich niet bezighielden met dergelijk laag bij de gronds vermaak. Laat staan dat zij naar buiten lieten komen dat ze wel eens betrokken konden zijn bij die in de moppen vermelde praktijken. Ongetwijfeld zijn er vele en ook invloedrijke moralisten geweest. Maar als zoals in Nederland een moraal keer op keer verdedigd moet worden, als onfatsoenlijk geacht gedrag zo vaak aan de kaak wordt gesteld, dan moet daar een reden voor zijn. Dan kan het niet anders of aan die moraal is gemorreld, ook in de hoogste kringen. Niet met opstanden, revoluties of zware polemieken, maar met humor.

Kaders:

1 Een vermaert sterrekijcker raeckte aan het hof van een korsel hertog, dien hij sijn horoscope las en daeruyt de uyr van sijn doodt voorseyde. De hertog, daerover in gramschap ontsteken, seyde: "Hebt ghij soo vasten vertrouwen van uwe kunst? Segt mij dan terstondt waer ghij over 24 uyren sult wesen?' R. "Daer kan ick soo strax niet op antwoorden.' R. "Dan ben ik beter monsieur als ghij. Ik seg gij sult hangen.' En 't geschiede ook soo.

2 Juffrou Catharina Dompiz sat eens hartig en kreet met de poëzy van Pieter Cornelissen Hoofdt op haar schoot. R. "Waerom huyl je?' R. "Omdat hij een vaers op mij heeft gemaeckt.' R. "Wel, dat is immers geen schande.' R. "De vent is nu soo lang doodt, soo kan elck bijnae rekenen hoe oudt dat ik ben.'

3 Een kleutertje, die nog te jong scheen om een hoertje te sijn, van Delf na Den Haeg vaerende, sloeg sulcken praet uyt die haer neering niet duyster te kennen gaf. Een predicant, die om haer met sachticheyt te onderrechten, socht van verre een praetje te maecken: R. "Vrijstertje, waer sijt gij vandaen?' R. "Mijnheer, ick ben eerst mijn vaer ontsprongen en daerna mijn moer ontkroopen.'

4 Fop, pas 20 jaeren, trouwde Marij die er 60 hadt. "Hoe komt ghij hiertoe, Fop,' vroeg iemant. R. "Wij zijn, mijnheer, allebey liefhebbers van de musyck en ik heb wel 100 mael gehoort dat nieuwe snaeren op een oude luyt best kloncken.'

5 Iemant sat met een juffer en praete van alderhande buytenplaysieren. "Het vincken inderdaet', seyde sij, "is niet onvermaeckelijck. Ick hebbe met mevrouw Jacoba wel 100 mael alleenig op het vincketouw geseten, dat het bijloo soo koudt was dat men klippertande. Ja, dickwels dat mevrouw mij badt dat ik haer toch een vinck soude brengen om haer handen aen te warmen.' R. "Ey lieve, als ghij weer uytgaet, neemt mij mee, ick sal daer altoos wel oppassen.'

6 José dronck braef met de boeren, en als de buydel leegh was, dan aen het plockhayren, daer hij ordinaris te kort bij schoot. Hij quam sijn oom eens met een gat in 't hooft, en een snee in de wangh te huijs. R. "Schaamt u, vagebont, u tijt, eer, en gelt soo lichtvaerdigh te verbruyen etc. Gij sult ten huys uyt, ik wil u voor mijn neef niet langer kennen etc.' R. "Gij hebt gelijck, oom, ik mogt wel wat leeren spaeren, maer wat mijn vechten aengaet, daer doe ik grote winst mee, want ik quetse of slae geen boer of ik krijg het 10 dubbelt weerom.'