Met Gods melodieen de meisjes bezingen; Het ontstaan van de soulmuziek

Is I Got a Woman van Ray Charles uit 1954 het eerste soulnummer? Tot voor kort was het moeilijk om van de beroemde eerste nummers van een genre na te gaan of ze nu werkelijk zo revolutionair waren. Veel oude popmuziek was nauwelijks meer verkrijgbaar. Maar de cd heeft het voor platenmaatschappijen weer lonend gemaakt om archiefmateriaal uit te brengen. Van het label Atlantic verscheen deze week een cd-box met historische opnames.

Atlantic Rhythm and Blues 1947-1974. Box met 8 cd's met in totaal 203 nummers. Prijs ongeveer ƒ 200,-.

In de grappigste scène van de film Back to the Future uit 1985 wordt de rock 'n' roll uitgevonden. De blanke hoofdpersoon, Marty, is via een tijdmachine van 1985 naar 1955 verplaatst, een jaar waarin hij nog niet was geboren en, erger nog, zijn toekomstige moeder niets in zijn vader blijkt te zien. Ze wordt zelfs verliefd op haar toekomstige zoon. Een onmogelijke liefde, want Marty moet er juist voor zorgen dat zijn vader en moeder wél bij elkaar komen, anders zal hij niet meer bestaan als hij teruggaat naar 1985. Na allerlei verwikkelingen raakt Marty onverwacht verzeild in een rhythm & blues-groepje dat optreedt tijdens een schoolfeest waar ook zijn potentiële ouders zijn. Hij speelt zo goed dat de zwarte bandleden hem verzoeken een eigen nummer te spelen. Eerst kijkt hij wat schuchter om zich heen, maar dan zet hij met zijn elektrische gitaar de beginakkoorden van Johnny Be Goode in. Een van de bandleden begrijpt dat er iets bijzonders gebeurt, snelt naar de telefoon en belt zijn neef Chuck Berry. “Hé Chuck”, zegt hij, “je was toch op zoek naar een nieuw geluid? Luister hier eens naar!” En hij houdt de hoorn in de richting van de band.

De scène over de uitvinding van de rock 'n' roll is natuurlijk verzonnen, maar toch niet zo absurd. In de geschiedenis van de popmuziek wemelt het van de verhalen waarin de uitvinder en geboortedatum van een genre precies bekend zijn. Het verhaal over het ontstaan van de rockabilly doet bij voorbeeld nauwelijks minder onwaarschijnlijk aan dan dat over de geboorte van de rock 'n' roll in Back To The Future. In 1954 heeft Elvis Presley het genre toevallig uitgevonden, toen hij tijdens een pauze tussen de opnamen in de Sun-studio in Memphis uit verveling That's Allright van Arthur Crudup zong. Net als Chuck Berry's neef had producer Sam Phillips onmiddellijk door dat er iets bijzonders aan de hand was, zo gaat het verhaal, en vroeg Elvis het nummer nog een keer op dezelfde wijze te zingen. Phillips nam het op, maakte er een plaat van en zo werd Elvis' That's Allright, een country-nummer uit 1946 gezongen door een blanke op een "zwarte' rhythm-and-blues-manier, de eerste rockabilly-hit.

Ook over de soulmuziek bestaat zo'n scheppingsverhaal, met de op zesjarige leeftijd blind geworden zwarte muzikant Ray Charles (1930) als god. Volgens de overlevering was hij het die als eerste gospel met rhythm & blues combineerde en zo de soul creëerde. Op een novemberdag in 1954 belde Ray Charles de bazen van zijn toenmalige platenmaatschappij Atlantic, Ahmet Ertegun en Jerry Wexler: ze moesten ogenblikkelijk vanuit New York naar Atlanta komen om zijn nieuwe band te horen. “We ontmoetten hem in zijn hotel”, herinnerde Jerry Wexler zich later. “Hij nam ons mee naar een nachtclub aan de overkant van de straat. Het was middag en al zijn bandleden zaten klaar om te spelen. Hij ging naar de piano, telde af en ze begonnen I Got A Woman te spelen, "and that was it.' ”

I Got A Woman was het eerste door Charles zelf geschreven nummer. Of misschien is schrijven niet het juiste woord, want het nummer was een bewerking van My Jesus Is All The World To Me. Charles had de religieuze tekst van deze spiritual vervangen door een wereldse: “Well, I got a woman / Way over town / That's good to me / She gives me money / When I'm in need / Yeah, she's a kind of friend indeed”. De begeleiding bestond niet uit koorzangers, maar uit een zevenkoppige rhythm & bluesband met stevige drums, blazers en Charles' eigen hamerende pianospel. Volgens Peter Guaralnick, de geschiedschrijver van de soul uit het zuiden van de Verenigde Staten, heeft geen nummer zoveel invloed gehad als I Got A Woman. Hij noemt het zelfs een revolutie. “Voor een generatie zwarte luisteraars was het een viering van het zwart zijn zonder het masker van de religie”, schrijft hij in zijn boel Sweet Soul Music. “Voor een generatie blanke luisteraars, groot gebracht met Perry Como en Teresa Brewer, opende het deuren die tot dan toe gesloten waren.”

Mythe

De scheppingsverhalen in de popmuziek zijn mooi, sommige zelfs te mooi om waar te lijken. Soms hebben ze iets van een mythe, van een verklaring achteraf, verzonnen door een historicus die een bepaald genre toch ergens moest laten beginnen. Tot voor kort was het moeilijk om van de beroemde eerste nummers van een genre, zoals I Got A Woman, na te gaan of ze nu werkelijk zo revolutionair waren, doordat veel oude popmuziek nauwelijks verkrijgbaar en dus onhoorbaar was. Maar de cd heeft het voor platenmaatschappijen blijkbaar weer lonend gemaakt om archiefmateriaal uit te brengen. De ene na de andere cd-box met oude blues, soul en rock 'n' roll komt uit. Zo verscheen deze week Atlantic Rhythm and Blues 1947-1974, een box met acht cd's met in totaal 203 nummers van 71 zwarte Amerikaanse zangers en ensembles. De box laat de wording en ontwikkeling van de soul horen, zoals die in 27 jaar door het Newyorkse label Atlantic werd uitgebracht.

De geschiedenis van Atlantic is een romantisch, Amerikaans succesverhaal. In 1947 werd het label opgericht door Ahmet Ertegun, zoon van de vroegere ambassadeur van Turkije in de Verenigde Staten, en Herb Abramson. Ze begonnen een kantoor op de goedkope pensionkamer van Ertegun in New York en huurden studioruimte als ze genoeg geld hadden. Ze namen hun favoriete muziek op, de rhythm & blues, toen de nieuwe muziek van zwart Amerika die door de grote platenmaatschappijen vrijwel werd genegeerd. Na twee jaar net genoeg te hebben verdiend om niet failliet te gaan, kreeg Atlantic met Drinkin' Wine Spo-Dee-O-Dee van Stick McGhee And His Buddies de eerste van een lange reeks hits.

In het begin was rhythm & blues een vaag begrip om muziek aan te duiden van jazzcombo's, "blues shouters', boogie-woogie-pianisten en vocale groepjes. Hoe vaag is goed te horen op de eerste cd die de jaren 1947-1952 omvat en waarop de 26 nummers variëren van de jazz van het Tiny Grimes Quintet tot de proto-rock 'n' roll van Big Joe Turner. Wat de nummers met elkaar verbindt is het in vergelijking met de "big bands' kleine aantal blazers en de stevige "backbeat' die het dansen gemakkelijk maakte.

Voor de aanhangers van gospel, de zwarte kerkmuziek, was rhythm & blues zondig, niet alleen om het dansen, de opmaat tot heuse seks, maar ook wegens de teksten. Tachtig procent van alle liedjes van de Atlantic-box hebben de liefde als onderwerp of gaan zelfs over seks, zij het in bedekte maar duidelijke termen. Zo zingt Ruth Brown, een van de eerste sterren van Atlantic, in Daddy, Daddy uit 1952: “Hold me in the morning / Hold me in the night / Thrill me, daddy, thrill me / Till I scream with all my might / Oooooooha a long, long time.”

Het is overigens opvallend hoe onderhoudend veel nummers op de Atlantic-box zijn. Vooral de liedjes die het songschrijversduo Jerry Leiber en Mike Stoller midden jarig vijftig voor onder meer The Drifters en The Coasters schreven, bestaan altijd uit een puntig, kort verhaaltje en een refrein dat na één keer horen onverbiddelijk in je hoofd blijft rondspoken.

Melisme

Ray Charles, die in 1952 door Atlantic werd gecontracteerd, doet zijn intrede op de tweede cd. De eerste nummers die hij opnam, zoals het door Ertegun zelf geschreven Mess Around, vallen niet op tussen die van Ruth Brown en Big Joe Turner. Maar I Got A Woman is anders. Het is weliswaar nu, bijna veertig jaar later, moeilijk voor te stellen dat het nummer de devote gospelliefhebbers zo schokte, maar het klinkt door Charles' schreeuwerige uithalen en vooral door het gebruik van het voor de gospel kenmerkende melisme (een reeks tonen op één lettergreep) inderdaad emotioneler en intenser dan de overige rhythm & blues. Ray Charles zong over de liefde op een heilige manier.

In de jaren na 1954 bewerkte Charles meer gospelnummers - This Little Light Of Mine werd This Little Girl Of Mine - of hij schreef zelf gospelachtige nummers, zoals Hallejujah, I Love Her So. De apotheose van Ray Charles' gospel-blues - het begrip "soul' raakte pas in de jaren zestig in zwang - is What 'd Say uit 1959, een meer dan vijf minuten durende samenvatting van een zwarte baptistische kerkdienst, compleet met het "spreken in tongen', geweeklaag en vragen en antwoorden van voorganger en koor. Het werd Ray Charles' eerste miljoenenhit.

Vreemd genoeg vond Ray Charles' zo succesvolle gospel-blues eerst weinig navolging onder de Atlantic-muzikanten. Aan de derde en vierde cd van de Atlantic-box te oordelen bleef rythm & blues ook in de tweede helft van de jaren vijftig een diffuus begrip, waaronder zowel de lieflijke ballade In Paradise van de meisjesgroep The Cookies als Shake, Rattle and Roll van Big Joe Turner kon vallen. Over het laatste nummer staat in het bij de cd-box horende tekstboek met korte biografieën van alle muzikanten: “Niets bijzonders in de context van Big Joe Turners eerdere opnamen. Toch werd het het volkslied van de rock 'n' roll. Het werd "ontdekt' door duizenden blanke tieners, al bestond het oorspronkelijke geluid al tien jaar. Rhythm & blues werd rock 'n' roll op 15 februari 1954.”

Pas in de jaren zestig werd de soul het overheersende genre in de rhythm & blues, zo blijkt uit de laatste drie cd's van de box. Naast Motown uit Detroit werd Atlantic toen het grootste soullabel, ondersteund door de zuidelijks "soulbrothers' uit Memphis en Muscle Shoals in Alabama. Jerry Wexler stuurde Atlantic-zangers als Wilson Pickett, Joe Tex en Aretha Franklin naar de studio's in die plaatsen om het typische Memphis- en Muscle-Shoals-geluid op hun platen te krijgen. Voor het label Stax/Volt uit Memphis verzorgde Atlantic de distributie van platen en zo komt het dat een stuk of twintig nummers van Otis Redding, Sam & Dave en anderen, die al op de vorig jaar verschenen cd-box van Stax/Volt voorkwamen, nu ook op die van Atlantic staan. Toen Stax/Volt in 1968 de samenwerking verbrak, bleken volgens de kleine letters van het contract alle nummers van Stax/Volt eigendom van Atlantic te zijn geworden.

Ray Charles was toen al lang vertrokken bij Atlantic. In 1960 tekende hij een lucratief contract met het label ABC en ging, weer met veel succes, lelieblanke country & westernliedjes zingen. Misschien is dit "verraad' de reden waarom vrijwel alle soulzangers van de jaren zestig niet Ray Charles maar Sam Cooke (1935-1964) als hun grote voorbeeld noemen. Maar Cooke, die begon als leadzanger van de gospelgroep The Soul Stirrers, ging pas in 1957 op een heilige manier over wereldse dingen zingen. De Atlantic-box is het bewijs dat het scheppingsverhaal van de soul waar is: Ray Charles is de "uitvinder' van de soul.