Kleine passies binnenshuis; Edouard Vuillard in het Van Goghmuseum

Ook al schilderde Edouard Vuillard na 1900 ook tuinen en boomgaarden, het interieur is altijd zijn grote liefde gebleven. Vuillard schilderde kamers als lentefeesten, waarbij geen enkel behangmotief of stofpatroon aan zijn oog ontsnapte. Maar de interieurs kunnen het toch niet stellen zonder hun bewoners. “Schreeuwend rood behang wijkt ongemerkt voor tere, witte kinderjurkjes.”

Edouard Vuillard (1868-1940). T/m 8 maart in het Van Goghmuseum, Amsterdam. Ma. t/m za. 10-17 uur, zo. 13-17 uur. Engelstalige catalogus: ƒ 35,-.

Wie zou er niet willen opgroeien in de huizen van Edouard Vuillard? Het is er stil en behaaglijk. Je kunt je nestelen op sofa's met zachte kleden. Waar je maar kijkt, kom je bloemen tegen. Vooral op het behang, maar ook op de gordijnen en het dressoir. Meubileert "tout Paris' zijn salons ineens in Louis XVI-stijl, in dit huis blijven de crapauds staan waar ze staan. Kloppen er vrienden aan, natuurlijk tegen etenstijd, dan worden er geruisloos borden en glazen op tafel bijgezet. Alles kan, niets hoeft.

Het ouderlijk huis van Vuillard is een eiland geweest in de schuimende zee van Parijse feesten, passies en intriges. Zijn moeder zwaaide er als weduwe de scepter. Een monument van puurheid en voornaamheid, zeggen zij die er ooit aten. Ze stelde zich haar leven lang vierkant op achter haar zoon. Twijfels over zijn talenten had ze niet: “Die kunsthandelaren nemen je schilderijen maar zoals ze zijn, en je moet er verder geen woord aan vuil maken.” Haar adviezen werden blindelings opgevolgd.

Aan het werk van Edouard Vuillard is een schitterende tentoonstelling gewijd in het Van Goghmuseum in Amsterdam. Steeds weer komen we daar mevrouw Vuillard tegen. Ze borduurt wat bij het open raam, ze zet behoedzaam haar hoed op bij de toilettafel, ze maakt een ronde door het huis, of, een van de mooiste schilderijen van deze tentoonstelling, ze ligt in bed, toegedekt door een behaaglijke laag van rode en mauve dekens.

Zoals elk schilderij van Vuillard kan ook deze kamer zonder een enkel visueel obstakel worden betreden. Niets op de voorgrond weerhoudt de toeschouwer ervan om een glimp op te vangen van het door kaarslicht beschenen slaaphoekje. De scherpe plafondlijnen zijn verzonken in het halfduister. We staan in de genoeglijke grot van Vuillards "muze', die hij tot haar dood in 1928 gezelschap zou houden. Zelfs op vele uitstapjes en vakanties ging moeder mee. Ze logeerde dan elders, in een pension of hotel. Bij het intellectuele, society-achtige gezelschap van haar zoon had ze als confectienaaister niet veel te zoeken.

Huilbui

De oud-kapiteinszoon Edouard Vuillard (1868-1940), geboren in de Jura, was een man van ernst en weinig woorden. Als hij iets zei, was daar een strenge, persoonlijke censuur aan voorafgegaan. Op zijn discretie kon men blindvaren. Vooral in de liefde moest stilte worden betracht, dat had Voltaire al geschreven. Volgens een anekdote kon Madame Hessel, een van de twee getrouwde vrouwen die behalve zijn moeder een dominante rol zouden spelen in Vuillards leven, alleen uit een kortstondige huilbui opmerken dat bij haar reisgenoot sprake moest zijn van een heftige passie.

Vuillards dagboeken zwijgen over Lucie Hessel. Ze onthullen schilderkunstige moeilijkheden en dagelijkse beslommeringen. Intieme momenten werden bewaard voor schilderijen. En dan was het verstandig het gezicht van beminnelijke personen onherkenbaar, als donzige vlekken, af te beelden. Soms moeten we zelfs genoegen nemen met ruggen en achterhoofden. De schilder gedroeg zich als een behoedzame passant, een buitenstaander bij heimelijke onderonsjes. Elk fanatisme was hem vreemd.

Gruwelijk om zoveel vertrouwelijkheid aan een anoniem publiek prijs te geven, vond Vuillard bij het tentoonstellen van zijn pastels en tempera-schilderingen, veelal op karton uitgevoerd. Publiciteit kon hem gestolen worden. Journalisten verstoorden zijn dagelijkse routine, ook toen hij na zijn vele monumentale opdrachten beroemd was. Een leven lang bleef hij in gezelschappen "altijd als toeschouwer' op de achtergrond.

Ondanks die terughoudendheid kon Vuillard rekenen op vele vrienden. Het begon al op het voorname Lyée Condorcet. De dichter Stéphane Mallarmé gaf er les en Marcel Proust kwam er later ook op terecht. Daar ontmoette hij Ker-Xavier Roussel en Maurice Dénis, toekomstige schilders en leden van de "Nabis' (de Profeten). Onder aanvoering van Paul Gauguin propageerden ze een nieuwe schilderkunst, een synthese tussen "gevoel', "abstractie' en "essentie'. De impressionisten vonden ze nogal beperkt in hun zonvlekkerige verbeeldingen van de werkelijkheid. Waar bleven "de emoties' en "de spiritualiteit'? Juist het innerlijk van de schilder moest bijdragen aan een verheviging van kleuren en lijnen. "Hoe zie je die boom daar?', vroeg Gauguin. "Erg groen? Gebruik dan het rijkste groen op je palet. En is die schaduw blauwachtig? Aarzel niet om die zo blauw mogelijk te schilderen.'

Enkele kleine, vroege werken tonen aan dat Vuillard Gauguins raad opvolgde. Zijn moeder en zuster, teruggebracht tot een paar afgebakende vlakken, net zoals op een Japanse houtsnede, rusten tegen een venijnig roze achtergrond. Inderdaad, het felste roze dat een palet kan bieden. Andy Warhol zou hem later maar net evenaren.

Flirten

Hoewel "de Zouave' Vuillard, zoals hij wegens zijn baard door de Nabis werd genoemd, samen met zijn flamboyante vriend Bonnard tot de voormannen van deze esoterisch getinte schildersgroep wordt gerekend, zijn beiden snel hun eigen weg gegaan. Vuillard verzeilde na zijn opleiding aan de Ecole des Beaux-Arts in de kapitaalkrachtige kringen van de Natansons, telgen uit een bankiersfamilie en oprichters van La Revue Blanche, waaraan een duizelingwekkend aantal nu beroemde schrijvers en kunstenaars zou meewerken.

Nog interessanter dan het tijdschrift vond Vuillard de echtgenote van Thadée Natanson, de muzikaal begaafde, graag flirtende Misia. Als een Alma Mahler voelde ze zich geroepen in een brede kring van kunstenaars de rol van muze op zich te nemen. Net zoals bij het echtpaar Hessels kwam hij er als huisvriend vaak over de vloer. Misia speelde in haar overvolle appartement dan op de vleugel, zoals op een van de doeken is te zien. Het is avond, de lampen verspreiden een honingzoete gloed langs wanden en snuisterijen. Haar echtgenoot mag terzijde rechts op het doek, als schaduw aanwezig zijn. Geen enkel detail van de overdadige stoffering krijgt de helderheid van Holbein, Rafaël, Chardin of Vermeer, schilders waar Vuillard zich toe aangetrokken voelde. Het is eerder Rembrandts suggestieve clair-obscur dat hem tot voorbeeld diende. Misia's japon, de Perzische tapijten, het patroon van de lampekappen: ze zijn terloops in het schemerige vertrek aangestipt, in korte, dartelende streken, vluchtig en toch aandachtig. Maar, en dat is het raadsel bij deze werken, mensen en dingen zijn in hun onnadrukkelijke gelijkwaardigheid elk op zichzelf prominent aanwezig. Het interieur kan het niet stellen zonder zijn bewoners, en omgekeerd.

André Gide verbaasde zich al over dit symfonisch schilderen. Hij omschreef de doeken als "teder en strelend', gemaakt zonder een spoor van effectbejag, waarbij wonderbaarlijk genoeg elk in het oog springend kleurvlak zich met groot gemak weer naar de achtergrond laat dringen. Schreeuwend rood behang wijkt ongemerkt voor tere, witte kinderjurkjes.

Panelen

De Amsterdamse tentoonstelling, samengesteld uit particuliere en museale bruiklenen, bestrijkt de periode van 1888 tot 1928, het jaar waarin Vuillards moeder overlijdt. Compleet is het overzicht zeker niet. De hoge, decoratieve panelen ontbreken: geruststellende gezichten op de Parijse parken en avenues, gemaakt in opdracht van Natanson en zijn vrienden. Ook dat ene stralende portret van Misia Natanson, opgebouwd in goud- en kopertonen en het onomstotelijke bewijs van een overrompelende hartstocht, is helaas in het Museum of Modern Art in New York achtergebleven.

Toch geeft de selectie van zo'n honderd werken een mooi afgerond beeld, compleet met litho's en tekeningen en enkele foto's, want net zoals bij Breitner dienden sommige opnamen als houvast bij het schilderen.

Na 1900 legde Vuillard zich meer toe op het landschap. Hij keek vaker naar buiten, naar tuinen en boomgaarden, waar vrienden en vriendinnen ontbeten en speelden met hun kinderen. Op reizen en uitstapjes naar familieleden zag hij het meer van Genève en de weerbarstige kustdorpen van Bretagne. In een van die dorpen zou hij in 1940, als patriottist ontdaan door de Duitse invasie, overlijden. De valleien van het achterland liggen er op de doeken vredig en onaantastbaar bij. Maar de grauwe huisjes aan zee hebben het zwaar te verduren. Ze wankelen onder een dreigend oprukkend wolkenpak. Er is storm op komst, en het is nog maar de vraag of dit kwetsbare oord zich teweer kan stellen.

Hoewel deze vergezichten niet minder aandachtig zijn geschilderd, zijn het toch de afmosferische stemmingen en de kleine passies binnenshuis - het bezoek van nichtjes, manicures en modellen - waarin Vuillard zich, als in de holten van een vertrouwd lichaam, het meest op zijn gemak gevoeld moeten hebben. Het naaiwerk dat zijn moeder onder de lampekap verrichtte om de kost te verdienen, zal ertoe hebben bijgedragen dat geen enkel behangmotief of stofpatroon aan zijn oog ontsnapte. Dahlia's op de spreien, fresia's langs de wand, klaprozen op de kussens: kamers als lentefeesten, waar baby's kruipen en waar veelbelovende damescontouren in de deuropening verschijnen. Vuillard keek als een vreemdeling naar wat hem vertrouwd was. En hij zag het schijnbaar onbeduidende dat aan anderen ongemerkt voorbij zouden gaan. “De leunstoel is het belangrijkste instrument van een schilder”, meende hij. Thuis bij zijn moeder, in die leunstoel, boog de schilder zich over de geborgenheid van zijn bestaan.