Hugo van Hoffmannsthal en het wantrouwen tegen de taal; Woorden als bedorven paddestoelen

Hugo van Hoffmannsthal: Een ruiterverhaal en andere vertellingen. Vert. Frank Ligtvoet en Reinout Vreijling. Uitg. Veen, 112 blz. Prijs fl. 15,-.

Hugo von Hofmannsthal was een vroegrijp wonderkind en in die hoedanigheid is hij vaak vergeleken met Arthur Rimbaud. Hij was nog maar scholier toen hij al perfecte gedichten en lyrische eenakters publiceerde. Volgens velen heeft hij op latere leeftijd dit geniale jeugdwerk nooit meer kunnen overtreffen. Rond 1900, hij was toen vijfentwintig, raakte Hofmannsthal in een diepe crisis waaraan hij zich moeizaam ontworstelde. De poezie zwoer hij af, in plaats daarvan kwamen meer sociale kunsten als toneel, libretto en pantomime. Grote bekendheid kreeg hij in zijn latere levensfase door de Salzburger Festspiele. die hij samen met Max Reinhardt en Richard Strauss had opgericht. Kort nadat Hoffmannsthal in 1929 was gestorven, publiceerde Thomas Mann een opmerkelijk herdenkingsartikel (waarin sprake is van 'Bruderlichkeit' en 'Schicksalsverwandtschaft'). Dit artikel bevat een uitstekende karakteristiek van Hofmannsthals werk die culmineert in de zin: “Hij had het idee van de dood lief, samen met dat van de schoonheid. met dat van de voornaamheid".

Hofmannsthals preoccupatie met de dood is inderdaad opmerkelijk, maar natuurlijk geenszins verwonderlijk voor een schrijver die tot het Weense fin-de-siecle behoorde. Ook een groot gevoel voor schoonheid en elegantie was hem aangeboren, en ik zou niet weten wie in de Duitse literatuur mooiere en gevoeligere poezie heeft geschreven dan hij, of het zou Rainer Maria Rilke in zijn Parijse tijd moeten zijn. Tenslotte was Hofmannsthal ook heel voornaam, zo voornaam zelfs dat veel van zijn tijdgenoten, Karl Kraus voorop, regelmatig de spot met hem dreven. Hij was afkomstig uit de zogenaamde bagateladel, de lagere Weense aristocratie. maar hij wilde de graag hogerop en was dus eigenlijk een adellijke snob. Zijn werk is in de deftigste milieus gesitueerd, hetgeen wel eens op de lachspieren kan werken. Hetzelfde geldt trouwens voor de barokke wijze waarop hij, met name in de talrijke latere essays en redevoeringen, zijn eruditie tentoonspreidde. Brief

Hugo von Hofmannsthal was een uiterst veelzijdig schrijver die praktisch alle literaire genres heeft beoefend. Onder de titel Een ruiterverhaal en andere vertellingen verscheen onlangs een keuze. Die keuze uit deze bloemlezing zijn beslist geen vertellingen. 'Een brief' is de beroemde fictieve brief, een essay in briefvorm eigenlijk, die Hofmannsthal tijdens zijn crisis in 1902 schreef. Over deze brief merkte Jaap Goedegebuure in zijn studie Decadentie en lileratuur uit 1987 terecht op: “'Ein Brier is een sleuteltekst, niet alleen in de biografie van Hofmannsthal zelf, maar ook in de geschiedenis van het Europese modernisme."

Hofmannsthal maakt in 'Een brief' zijn wantrouwen kenbaar tegenover de taal, een gebrekkig medium voor het overbrengen van gevoelens. Zij maakt geldige uitspraken over 'de werkelijkheid' onmogelijk, hetgeen tot relativisme en identiteitsverlies leidt. Hofmannsthal was hiermee de eerste die ondubbelzinnig uiting gaf aan wat sindsdien taalscepsis heet. Behalve in het verdere werk van de schrijver zelf zou het thema weldra een prominente plaats gaan innemen in de moderne filosofie en literatuur.

Hofmannsthal laat in 'Een brief' zijn gedachten uitspreken door de fictieve literator Lord Chandos die aan de bevriende filosoof Francis Bacon meedeelt waarom hij zijn carriere heeft moeten onderbreken: “Mij is volkomen het vermogen verloren gegaan om over wat dan ook samenhangend te denken of te spreken (-) De abstracte woorden (-) vielen in mijn mond als bedorven paddestoelen uiteen.'

Net zo belangrijk als 'Een brief' is het fragment dat gepresenteerd wordt onder de titel 'Romana'. Dit betreft een gedeelte uit Hofmannsthals fragmentarisch gebleven roman Andreas oder die Vereinigten die het absolute hoogtepunt van zijn proza genoemd mag worden. Hofmannsthals biograaf Werner Volke merkt hierover op: “Het fragment alleen zou genoeg zijn om hem een plaats onder de grote Duitse prozaschrijvers te verzekeren." Nog iets verder gaat de vorig jaar overleden Oostenrijkse schrijfster-essayiste Hilde Spiel in haar studie Clanz und Untergang: Wien 1866-1938. “Andreas is een van de grootste prozawerken van deze eeuw." Hofmannsthal beoogde met Andreas waaraan hij vanaf 1912 met vele onderbrekingen werkte, een ontwikkelingsroman in de grote Duitse traditie. Hoofdpersoon is de jonge en onervaren Weense edelslag.

Aan het eind van zijn leven heeft Van Overbeke zijn uitvoerige lijst met moppen en anekdoten opgeschreven. Hij moet ze vergaard hebben tijdens de vele muziekavondjes, wandelingen en eetpartijen die hij met vrienden doorbracht en een aantal ontleende hij direct aan gedrukte moppenboeken. Het bijzondere van deze collectie is dat hij nooit is uitgegeven en derhalve ook niet is gecensureerd. De liefde die hij daar opvat voor het meisje Romana (die in de rest van de roman een centrale plaats moest gaan innemen), de botsing tussen twee culturen alsook de criminele inslag van zijn bediende: dit alles wordt door Hofmannsthal zowel psvchologisch als stilistisch op weergaloos knappe wijze beschreven. Hiermee vergeleken zijn de overige verhalen uit de bundel van minder belang. In 'Ruiterverhaal' vindt de hoofdpersoon. een cavalerist, de dood als hij tijdens krijgshandelingen het contact met de werkelijkheid verliest. Zijn dagdromerij over een zojuist ontmoete vrouw wordt hem noodlottig. Liefde en dood zijn ook het onderwerp van 'Het avontuur van maarschalk de Bassompierre', dat gebaseerd is op een anekdote van Goethe. Een ware staalkaart van decadente motieven treft de lezer aan in 'Het sprookje van de 672e nacht', waarin beschreven wordt hoe een rijke koopmanszoon zijn ivoren toren plotseling moet verlaten, hetgeen uiteraard zijn dood inluidt.

Deze drie verhalen zijn geschreven voor 1900, dus voor Hofmannsthals taalcrisis. Bij herlezing viel het mij op dat ze met hun precieuze en morbide thematiek enigszins gedateerd zijn. Toch bezitten ze alle drie ook minstens een modern aspect: de aandacht voor het irrationele oftewel het grensgebied tussen droom en werkelijkhcid. In Hofmannsthals latere proza is dit: kenmerk echter veel duidelijker aanwez1g; zoals hij bij voorbeeld in Andreas ook diverse stijlniveaus door elkaar hanteert. Van dit latere werk van Hofmannsthal loopt dan ook een directe lijn naar schrijvers als Robert Musil. Hermann Broch en ten dele zelfs Franz Kafka. van wie de eersle . twee hun voorganger overigens zeer waardeerden.

Hofmannsthal schrijft een fraai en compact lyrisch proza dat hoge eisen aan de lezer en zeker aan de vertaler stelt. Frank Ligtvoet en Reinout Vreijling hebben desondanks een tamelijk goed werkstuk ' afgeleverd. Tegen hun vertaling heb ik, afgezien van enkele schoonheidsfouten, slechts een bezwaar. Vooral in het fragment 'Romana' worden Hofmannsthals lange zinnen bijna stelselmatig ingekort; waar de schrijver een komma of een puntkomma plaatst, zetten de vertalers een punt en beginnen ze opnieuw. Hierdoor wordt Hofmannsthals bekende elastische stijl enigszins te kort gedaan.