Grillige essays van Gerrit Krol; Voor snelle hersencellen

Gerrit Krol: Wat mooi is is moeilijk. Uitg. Querido, 176 blz. Prijs: ƒ 36,90.

Achter de essayist Gerrit Krol gaat de enigszins gefrustreerde dichter Gerrit Krol schuil. Aardiger gezegd: de essays die Krol het afgelopen decennium schreef, hebben we te danken aan het verstopt raken van zijn dichtader. In 1988 verschenen in een beperkte oplage acht verzen van hem onder de mistroostige titel Laatste gedichten.

In ”Literaire impotentie', een van de essays uit zijn nieuwe bundel Wat mooi is is moeilijk, probeert hij uit te leggen waarom het hem niet meer lukt om naast romans gedichten te schrijven. “Ik betrap mijzelf soms op metaliterair gepieker. Alsof ik bij de dokter sta. In de eerste plaats dokter, zeg ik tegen mezelf, heb ik er last van, de laatste tijd, dat als ik mij ertoe zet een gedicht te schrijven, ik altijd zo'n zangerig gevoel over me krijg (-). Dan ben je, zegt de dokter in mij, toch te veel onder de indruk van het poëtische moment in de mechanische zin van het woord: je zet wissels om terwijl er meer een register zou moeten zijn dat je uittrekt.” Een duidelijk antwoord op de vraag waarom bij hem de poëzie op zeker moment verdrongen werd door de essayistiek, geeft hij niet.

Veel interessanter is trouwens de kwestie, zeker voor wie de nogal prozaïsche gedichten van Krol kent, waarom hij onder dit dichterlijke onvermogen zo gebukt gaat. Ik heb althans een sterk vermoeden dat de wat ontevreden ondertoon, de lichte gram die in het merendeel van de zestien essays hoorbaar is, hieraan moet worden toegeschreven. Enigszins naijverig leest hij de regels van de Zweedse dichter Gustafsson: “Waarom had k eigenlijk dit gedicht niet geschreven?” In het stuk over de Franse dichter Valéry klinkt hij zelfs wat beledigd. Valéry was er namelijk van overtuigd dat alle proza inferieur moest worden geacht aan poëzie, terwijl Krol meent dat er romans zijn die de vergelijking met poëzie goed kunnen doorstaan.

Wit

In Wat mooi is is moeilijk heeft hij het direct of indirect steeds over zijn eigen werk. Je zou in deze bundel een voorzetting kunnen zien van de al even poëticale bundel De schrijver, de schaamte en zijn spiegels die tien jaar eerder verscheen. Maar toen was Krol een stuk zorgelozer en zag hij waarschijnlijk nog poëzie in het verschiet. Opvallend is hoe openhartig, rondborstig, relativerend en, in weerwil van de titel, hoe schaamteloos deze stukken zijn. Veel losser en jovialer van toon dan zijn nieuwe essays.

Sinds hij geen gedichten meer schrijft, lijkt de poëzie wel bij hem naar binnen te zijn geslagen. In de loop van tien jaar is Krol dichterlijker eisen gaan stellen aan de romankunst. Proza dient veel wit te bevatten, er moet weinig in gebeuren en de inhoud moet ondergeschikt zijn aan de vorm. Een zekere kortademigheid heeft hiermee zijn intrede gedaan, ook in zijn essaystiek. Aan de plotselinge inval, de gedachtenflits gunt hij meer ruimte dan aan kalme en uitgesponnen overwegingen. Er is iets zeer wispelturigs in zijn met veel witregels doorspekte beschouwingen, iets dat hijzelf bestempelt als ”de Monte Carlo-methode', ontleend aan de wiskunde en gebaseerd op het toeval. “De methode om zinnen te produceren, zinsneden die onzin lijken omdat ze nieuw zijn.”

Krol is een essayist in de letterlijke betekenis van het woord. Hij probeert, en het liefst zo lukraak mogelijk, tot verrassende inzichten te komen met behulp van alles wat hem op filosofisch, wetenschappelijk of enig ander gebied invalt. De avontuurlijker ingestelde lezer met de snelle hersencellen kan hier zijn hart ophalen, maar voor de wat slomere geest is het niet altijd eenvoudig om Krols gedachtensprongen te volgen.

In ”Wij denkers' voert hij de ideale romanschrijver ten tonele; de schrijver die behoedzaam balanceert tussen het geniale en daardoor onbegrijpelijke aan de ene kant en het triviale en daardoor al te begrijpelijke aan de andere kant. Deze romanschrijver brengt iets tot stand dat in de woorden van Plato mooi is en dus moeilijk.

Maar wat voor de ideale romanschrijver geldt, geldt nog niet voor de essayist Krol. In zijn nieuwe essaybundel beweegt hij zich niet zozeer behoedzaam tussen twee afgronden, maar springt hij van ijsschots naar ijsschots, om een van zijn terugkerende beelden te gebruiken. Moeilijk is de bundel zeker, maar erg mooi zou ik hem nog niet meteen willen noemen.

Ik weet niet precies wat er met deze essays of met mij aan de hand is, maar ik krijg er, ook na herlezen, weinig greep op. Vooral de langere stukken hebben een hoge abstractiegraad. Er worden veel beweringen in gedaan die geen uitwerking krijgen, of een ook maar enigszins afdoende toelichting. Als Krol een geslaagde roman definieert als ”een vernuftig stuk spirituele hardware', dan zegt mij dat eigenlijk niets. Sommige van zijn beweringen zijn ronduit tautologisch: “Er is inderdaad proza”, zo zegt hij in het essay over Valéry, “waarvan de vorm (-) niet kan worden vergeten eenvoudig omdat zij onvergetelijk is.” Het denken in tweeën, dat zo typerend is voor overpeinzingen van de korte termijn, de ad hoc-redenering, krijgt hier ruim baan. En zo onderscheidt hij onder meer twee soorten boeken, twee soorten witregels, twee soorten lezers, twee soorten humoristen, twee soorten emoties, twee soorten filosofen, twee soorten dichters en twee soorten prozaschrijvers die weer onder invloed van twee krachten twee soorten proza schrijven.

In de meeste stukken valt geen middelpunt, geen kern te ontdekken. Krol is typisch een schrijver van alinea's, niet van gehelen, althans niet van gehelen die zich met enige vrucht laten samenvatten. Het zesdelige essay ”Meesters over de tijd' zet veelbelovend in met een mooie anekdote over de wandeling rondom de stad Groningen die Krol en zijn broer op zondag 2 oktober 1955 na het middageten maakten (“we veegden onze mond af en vertrokken”), maar gaat langzaam maar zeker in veel te veel abstracties over tijd, stad, emotie, woord en beeld ten onder.

Al even grillig is het lange essay ”Onze nationale schaamte' over de toekomst van de Nederlandse taal. Als betoog is het nauwelijks te volgen, want de overgangen zijn grillig en de verschillende alinea's staan bol van tegenstrijdigheden, maar er staan mooie en vast ook wel ware passages in, over onze dubbelzinnige relatie tot het buitenland, over onze stijlloosheid, over de (on)zuiverheid van de Nederlandse taal, en over onze huiselijkheid, die de geringe verspreiding van de Nederlandse literatuur in het buitenland zou kunnen verklaren. “Het enige dat Nederland interessant maakt is dat het lager ligt dan de zee, dat maakt ons heroïsch. Maar dat is nou het laatste wat we willen wezen: heroïsch, en het laatste dat we zullen doen: over de dijken schrijven. Want wij schrijven alleen maar over wat ons lief is en wat is ons lief? Juist, de huiskamer.”

Mooi is het stuk over Wittgenstein, dat opvallend weinig witregels telt. Na een heldere uiteenzetting over de betekenis van leven en werk van deze taalfilosoof, komt hij tot twee verrassende conclusies: Wittgenstein was een fascinerende denker en spreker, maar een zeer matige schrijver. Volgens Krol wantrouwde hij het gedrukte woord te zeer en was hij bovendien als schrijver ”veel te serieus'.

Dat laatste valt Krol zelf ook wel een beetje te verwijten. Hoe wispelturig zijn manier van schrijven ook mag zijn, in zijn essays lijkt hij toch meer op een hermetische dichter dan op de onbevangen denker die hij zou willen zijn. Misschien moest hij de poëzie maar eens helemaal achter zich laten.