Genus (1)

In "Even je hersens gebruiken' (NRC Handelsblad, 14 januari) vraagt J.L. Heldring zich af wie er weet, behalve misschien enkelen die nog vóór de oorlog op school zijn geweest, of de "de-woorden' raad, tafel en stoel mannelijk of vrouwelijk zijn.

Het antwoord is voor twee van deze woorden niet zo moeilijk: iedereen die het Zeeuwse dialect spreekt, weet dat raad en stoel mannelijk zijn. Een Zeeuwse moeder leert de kinderen namelijk dat zij achter éénlettergrepige vrouwelijke woorden een stomme e dienen te zetten. Zij moeten dus onthouden dat kat, nicht, pink, schuit, gerst worden uitgesproken als: katte, nichte, pienke, schute, haste, maar dat hond, neef, duim, boot, rijst mannelijk zijn en daardoor de uitspraak ond, neef, duum bôôt en riest krijgen.

Zeeuwse kindertjes zijn slim en blijken daar geen moeite mee te hebben. Een probleempje is wel dat er nogal wat importwoorden in het Zeeuws zijn als bijvoorbeeld oom, dat als ome wordt uitgesproken. Al voor de oorlog had dit "Hollandse' woord het Zeeuwse nôôm bijna geheel verdrongen, althans op het Thoolse platteland. En ook bij fout, door Heldring keurig als vrouwelijk herkend, gaat de regel niet op.