Friedrich Durrenmatt: De opdracht. Vert. Gerrit ...

Friedrich Durrenmatt: De opdracht. Vert. Gerrit Bussink. Uitg. de Prom. 106 blz. Prijs fl. 24,90.

Michael Kruger: Het einde van de roman. Vert. Marion Offermans. Uitg. De Bezige Bij. 111 blz. Prijs fl. 26,50.

Beat Sterchi: Blosch. Vert. W. Hansen. Uitg. De Arbeiderspers. 359 blz. Prijs fl. 45,-.

Thomas Bernhard: Vertellingen. Vert. Jacob Groot. Uitg. Bert Bakker. 163 blz. Prijs fl. 29,90.

W.G. Sebald: Melancholische dwaalwegen. Vert. Jos Valkengoed. Uitg. Van Gennep. 204 blz. Prijs fl. 34,50.

Patrick Suskind: Het verhaal van mijnheer Sommer. Vert. Ronald Jonkers. Uitg. Bert Bakker. 123 blz. Prijs fl. 24,90.

God schiep de mens, maar wie schiep God? Domineeszoon Friedrich Durrenmatt gaat dergelijke duizelingwekkende vragen niet uit de weg. In zijn novelle De opdracht verving hij God alleen door een eigentijdser symbool. De aarde wordt niet langer door een baardige oude man in de gaten gehouden, maar door duizenden camera's. Satellieten bewaken satellieten die weer andere satellieten bewaken -- het summum van veiligheid, ware het niet dat de elkaar met hun geavanceerde apparatuur bespionerende staten in een opzettelijk uit de hand gelopen oorlog verwikkeld zijn. Regeringsleiders, veiligheidsagenten en cameramensen, zij allen wensen vurig dat deze ergens in een Noordafrikaanse woestijn gevoerde oorlog nooit meer ophoudt. In Durrenmatts dolgedraaide universum gaat het allang niet meer om het klassieke conflict tussen tegengestelde belangen of ideologieen: alle aan de oorlog deelnemende staten zijn slechts in een ding geinteresseerd, en dat is het opvoeren van hun wapenexport. In de concentratiekampen, laat de auteur een van zijn personages, een geflipte straaljagerpiloot, zeggen, stonden de daders nog weleens oog in oog met hun slachtoffer; tegenwoordig wijst het beeldscherm slechts een stip aan die uitgewist moet worden, om het even of het om een onbemand militair object of om miljoenen mensen gaat. Net als God heeft het moderne slachtoffer zijn menselijke gezicht verloren, en ook de identiteit van de verteller blijft onbekend in dit verhaal dat uit precies 24 zinnen bestaat, elke zin een hoofdstuk. Friedrich Durrenmatt: De opdracht. Vert. Gerrit Bussink. Uitg. de Prom. 106 blz. Prijs f 24.90.

De logica in Michael Krugers novelle Het einde van de roman lijkt een beetje op die van Durrenmatt. Beide schrijvers huiveren bij de gedachte aan hun eigen nietigheid in de tijd en in de ruimte, en met briljante redeneringen proberen zij nog enige zin aan de zinloosheid te geven. Kruger zoekt zijn stof echter dichter bij huis; hij beperkt zich tot de vraag wat een schrijver tegenwoordig nog kan toevoegen aan alle boeken, beelden en ideeen die reeds in omloop zijn. Veel wereldschokkends heeft Kruger inderdaad niet te melden, maar kostelijk is het wel, de vertwijfeling van de ikfiguur, die, op zoek naar een passend slot voor zijn allesomvattende roman, het ene hoofdstuk na het andere schrijft en dan weer schrapt. Kruger, die behalve schrijver ook uitgever is, neemt alle literaire modes op de hak. Hij zet zijn alter ego in de eenzame bergwereld van de Vooralpen neer want alleen ver van de mensen hoopt de man, in navolging van Thomas Bernhard en vele anderen, nog zuivere inspiratie te kunnen opdoen. In zijn kluizenaarshut is het echter een komen en gaan van damles, waar de arme romancier zich vreselijk over beklaagt, ofschoon hij weet dat 'de beginselen van het leven' alleen bij vrouwen te leren zijn. Negen jaar lang heeft deze 'heroische zonderling' gezwoegd aan zijn grote geschiedenis van de verbeeldingskracht, maar na het verwijderen van alle politieke en historische, van alle beschrijvende en op de ervaring berustende passages blijft er slechts een mager werkje over. De pure verbeeldingskracht blijkt een fictie te zijn.

Michael Kruger. Hel einde van de roman. Vert. Marion Offermans. Uitg. De Bezige Bij, 111 blz Prijs 26,50

In 1983 publiceerde de hier onbekende Zwitser Beat Sterchi het epos Blosch. In eindeloze variaties, honderden bladzijden lang schetst Sterchi letterlijk alles wat er bij komt kijken om van levende koeien, kalveren, varkens en konijnen consumentvriendelijke supermarktartikelen, zoals worst en soepvlees, te maken. We moeten aanzien hoe de prachtige Berner koe Blosch aftakelt en ten slotte in het abattoir belandt, ook de foetus die men in haar lijf aantreft wordt gevild, want: 'De huid van een foetus heeft ook waarde. Looiers zijn verzot op de zachte buiken (-), maar zij mogen niet beschadigd zijn, en Krummen gaf de baarmoeder uit de buik van Blosch een trap. Hij schoof de niervormige zak met de punten van zijn laarzen voor zich uit over de vloer. Overal lagen stukjes pees en flarden vet. Vieze troep! Verdomme!' De verteller neemt ons mee naar de varkensontharing, het penslokaal, de darmbewerking. Hij doet een boekje open over de bedrijfsongevallen, over de vele afgehakte vingers en voeten van de gastarbeiders en de andere arme drommels, die tot een hels tempo worden opgejaagd om het welvarende landje van een overdaad aan vers vlees te voorzien. Zonder goedkoop effectbejag bereikt de schrijver wat literatuur behoort te doen: Sterchi maakt de lezers gevoelig voor een deel van de werkelijkheid waar zij gewoonlijk niets van willen weten. W. Hansen zorgde voor een uitstekende vertaling. Beat Sterchi. Blosch. Vert. W. Hansen. ultg De Arbeiderspers, 359 blz. Prijs 45.-.

Nog verder dan Beat Sterchi gaat Thomas Bernhard in zijn fascinatie voor de verschoppelingen der van buitenaf zo schilderachtige Alpendorpen en -stadjes. Bernhards vertellingen, waarvan onlangs een selectie in Nederlandse vertaling verscheen, worden voor een groot deel bevolkt door types waar iedereen met een wijde boog omheen loopt, door vechtjassen en moordenaars die in hun jeugd 'verminkt' zijn geraakt en nu op hun beurt hun omgeving 'ontwrichten'. De minder gewelddadige personages lijden eveneens aan een vreselijke geestesziekte die aan krankzinnigheid grenst. Zij werden al als zuigeling gehaat omdat zij anders dan de anderen waren, zoals Georg in De misdaad van een koopmanszoon uit Innsbruck', die het levenslicht zag in een huis waarin nooit kinderen, maar altijd dezelfde afgrijselijke rekenmachines ter wereld waren gekomen'. Contactgestoorde broers of broers en zuster klampen zich aan elkaar vast tot de dood erop volgt. Al deze figuren zijn te serieus om zomaar een praatje met een ander te kllnnen maken. Ze zijn de gevangene van hun eigen dwangvoorstellingen, en recds in deze tot zijn vroegere werk behorende verhalen geeft Bernhard dat tuchthuisgevoel in zinnen weer die bedoeld zijn als zweepslagen. Thomas Bernhard. Vertellingen. Vert. Jacob Croot. Uitg. Bert Bakker. 163 blz. Prijs f 29,90.

Uiterst verfijnd, bijna negentiende-eeuws uitvoerig doen de reisimpressies van W.G. Sebald aan, die, gebundeld in Melancholische dwaalwegen, ondanks de losse vorm het predikaat 'roman' meekregen. Sebalds bedaagde reizigers, onder wie Katka en Stendhal, komen nooit verder dan Noord-ltalie. De talloze bijfiguren vergat ik onmiddellijk, behalve dan de wat plompere personages uit de Zuidduitse provincie, waar de auteur opgroeide. Sommigen van hen hebben een schrijnende geschiedenis. zoals de gezusters Babett en Bina van 'Cafe Alpenrose' die elke zondag een verse taart voor de uitblijvende gasten bakken, zodat dezen, mochten zij toch nog eens komen, altijd kunnen kiezen uit verse taart en taart van de vorige zondag. Het boekje wordt verfraaid met intrigerende plaatjes, maar helaas ontsierd door rare spelfouten.

W.G. Sebald. Melancholische dwaalwegen. Vert. Jos Valkengoed. Uitg. Van Gennep, 204 blz. Prijs f 34.50.

Het verhaal van mijnheer Sommer door Patrick Suskind is geillustreerd met prachtige aquarellen van Sempe. Op schijnbaar onbekommerde wijze vertelt de schrijver van de bestseller Het parfum over de tijd toen hij 'nog in de bomen klom'. Dat doet de jongen meestal als hij blij is, maar een keer, na een uiterst onaangenaam bezoek aan zijn pianolerares, is hij van plan zich uit een boom te laten vallen en nooit meer op te staan. Redder in de nood is, zonder dat deze daar erg in heeft, de zonderlinge mijnheer Sommer. Mijnheer Sommer lijdt aan claustrofobie en loopt daarom onophoudelijk rondjes om het meer. Precies op het moment dat de jongen zich in de diepte wil storten gaat de man onder de boom zitten Wanneer op zijn beurt het kind getuige wordt van mijnheer Sommers zelfmoordpoging, komt het niet in de jongen op de mijnheer te redden. De gruwelijk eenzame man wandelt het meer in. Al wat van hem overblijft is zijn hoed die op het water drijft.

Patrick Suskind: Het verhaal van mijnheer Sommer. Vert. Ronald Jonkers. Uitg. Bert Bakker. 123 blz. Prijs f 24,90.