Filosofische roman van David Vogel uit 1930 herontdekt; De trouwring maakt een vrouw tot furie

“Ik vind toevlucht slechts in mijzelf en me dunkt dat dit het hoogste stadium is dat de mens kan bereiken,” noteerde de joodse schrijver David Vogel in zijn dagboek. Eind jaren twintig schreef hij in het Hebreeuws de roman Huwelijksleven, over een jonge schrijver in Wenen die denkt dat zijn lichaam bestaat uit louter zenuwen en hersenen, en die getrouwd is met een bloeddorstige barones die zijn manuscripten verscheurt. Onlangs werd het boek opnieuw ontdekt.

David Vogel: Huwelijksleven. Vert. Kees Meiling. Uitg. Meulenhoff. 480 blz Prijs ƒ 49,50.

Het gebeurt maar zelden dat een boek van een onbekend schrijver zestig jaar lang in een bibliotheek stof ligt te verzamelen om vervolgens door een uitgever opnieuw te worden ontdekt. Zo'n postume herleving viel de roman Huwelijksleven ten deel, geschreven door David Vogel. Een dezer dagen verschijnt het boek in een Nederlandse vertaling, nadat het eerder in het Engels, Duits, Frans en Spaans is verschenen.

David Vogel zelf heeft er niet veel toe bijgedragen om de roman, zijn magnum opus, in het middelpunt van de belangstelling te plaatsen. Het boek werd aan het einde van de jaren twintig in het Hebreeuws in Parijs geschreven, verscheen in 1930 in het toenmalige Palestina, en had als onderwerp een huwelijksleven in het Wenen van na de Eerste Wereldoorlog. Als Vogel zijn boek in het Duits had geschreven zou het waarschijnlijk meer succes hebben gehad, maar daarvoor voelde hij zich te onzeker.

Vogel werd in 1891 in het Russische stadje Satanov geboren, ten noordwesten van de Zwarte Zee, als zoon van een kleine handelaar en hij kreeg daar een orthodox joodse opvoeding. Na omzwervingen langs Vilnius, Odessa en Lvov, vestigde hij zich in 1912 in Wenen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd hij als Russisch staatsburger gearresteerd en hij verbleef 23 maanden in een Oostenrijkse gevangenis. In 1925 verhuisde hij naar Parijs, waar hij zich aan het schrijven van Huwelijksleven zette.

Waarom is een boek een belangrijke roman? Vogel behandelt, in de Middeneuropese traditie, hetzelfde thema als Kafka, Musil en Svevo. Hij schrijft over de vereenzaming van de moderne mens in de twintigste eeuw. En als decor voor zijn boek heeft Vogel de stad gekozen die zich bij uitstek voor dit thema leent: Wenen.

Meteen op de eerste bladzijden geeft de schrijver een haarscherpe schets van de hoofdfiguur van zijn verhaal. Rudolf Gurdweill is een jonge schrijver, zonder middelen van bestaan. Een paar van zijn verhalen zijn in literaire tijdschriften geplaatst, maar zich echt inspannen om iets van zijn schrijverschap te maken is hem teveel. Gurdweill is een bangelijk type, iel van gestalte en klein van stuk, en zo nu en dan vreest hij dat zijn lichaam “louter bestaat uit zenuwen en hersenen”.

Vogels personage bezit een soort fijngevoeligheid die snel over dreigt te gaan in een neurotische overgevoeligheid. Hoewel zo arm als een kerkrat, verkiest hij de werkloosheid boven een baantje. Als hij via een kennis geïntroduceerd wordt bij de boekhandel van Herr Doktor Kreindel, die zich bij voorkeur uit in altijd onafgemaakte en onjuiste aforismen van beroemde schrijvers, dan is hij blij dat hij bij de eerste poging wordt afgewezen: “Sinds een halfjaar liep hij zonder baan rond en het ontbrak hem aan moed om de kans op werk niet met beide handen aan te grijpen.”

Als de boekhandelaar hem later toch aanneemt, pleegt zijn niet aflatende reeks aan aforistische platitudes zo'n aanslag op het zenuwgestel van Gurdweill dat het bijna doorbrandt. Kreindel: “Wat zegt Goethe erover: De liefde tot het boek is het een bewijs bij uitstek, enz... U schrijft toch zelf ook, meen ik?”

Prooi

Dit leven neemt een wending wanneer Gurdweill in een Weens koffiehuis Thea von Takow ontmoet, een barones uit een sinds 1918 gedeklasseerd geslacht, die een gewone kantoorbaan heeft moeten nemen om in haar levensonderhoud te voorzien. Het is niet zozeer liefde als wel bezetenheid op het eerste gezicht. Thea is groot, sterk en resoluut, en zij huurt een kamertje in een hotel van bedenkelijk allooi om met de kleine Gurdweill de geslachtsdaad te plegen: “Ze tilde hem van de grond als een licht stuk speelgoed en legde hem op bed.” Het liefdesspel is wreed en bloeddorstig. Gurdweill wordt die nacht door haar op allerlei manieren verkracht. De bloeddorstige barones heeft haar prooi gevonden. Gurdweill laat zich in een mum van tijd door haar naar het altaar slepen.

Het huwelijksleven begint. Gurdweill zal voortaan door Thea "konijntje' genoemd worden. Thea verscheurt zijn manuscripten, noemt filosofie iets voor slappe, impotente mannen en bespot Gurdweills dromen, die overladen zijn met psychoanalytische symboliek. Hij doet gedwee op haar geschreeuwde bevelen het hele huishouden en vult het gat in haar hand telkens opnieuw met zijn hele maandloon en met leningen van vrienden. Ook neemt hij regelmatig rake klappen van zijn vrouw in ontvangst.

's Avonds stroopt Thea de stad af op zoek naar mannen. In het koffiehuis snoeft ze in de gemeenschappelijke vriendenkring openlijk over haar talloze buitenechtelijke escapades. Hoe nederiger Gurdweill zich gedraagt, des te feller laait haar passie op. Hij blijft zijn verdriet en woede sussen: “Iedereen is uiteindelijk vrij en niemand hoort enige zeggenschap over een ander te hebben. Waarover heeft hij dan nog te klagen?”

De vrouw als seksueel ontembare furie, verstoken van iedere intellectuele belangstelling, dat is het beeld dat Vogel in Huwelijksleven schetst. In een café ontmoet Gurdweill bijvoorbeeld Frantzl Heidelberger, die hem bezweert niet te trouwen: “Vrouwen - zolang ze niet zeker van je zijn, zijn ze lief en aardig, dan kun je ze om je vinger winden. Maar zodra je ze de huwelijksring aan de vinger hebt geschoven - dan is het afgelopen! Ogenblikkelijk schoppen ze met de achterbenen... dan sta je machteloos tegenover ze. Dat is een natuurwet, jongeman! De een is net als de ander! Er is geen greintje verschil!”

Bekend geheim

Uit de dagboeken die Vogel heeft nagelaten blijkt dat hij goed op de hoogte was van de literatuur van zijn tijd. In zijn beeld van een strijd tussen de geslachten met de man in de defensieve rol volgt hij Otto Weininger. Deze Weense filosoof publiceerde in 1903 zijn proefschrift Geslacht en Karakter, een niet aflatende tirade tegen de vrouw. Weininger pleegt enkele maanden na het verschijnen van zijn boek zelfmoord in het sterfhuis van Beethoven, vlakbij de Berggasse waar de praktijk van Sigmund Freud was gevestigd.

Achter Weiningers kist liepen de toen nog jonge Ludwig Wittgenstein en Stefan Zweig, en ook Weiningers grootste vereerder, Karl Kraus. Strindberg die uit Stockholm een grote krans stuurde, schreef in een In memoriam: “Het is een feit dat das Weib een rudimentaire man is. Het was dit bekende geheim dat Otto Weininger durfde uit te spreken. Het was deze ontdekking van het wezen en de natuur van das Weib die hij in zijn mannelijke boek opschreef en die hem het leven heeft gekost.”

Weiningers boek werd vlak na zijn dood een cultboek. Tot in de jaren dertig werd het 29 keer herdrukt. Volgens zijn aanhangers was het geniaal geformuleerde kritiek tegen de opmars der vrouwen in het begin van deze eeuw. Volgens minder enthousiaste lezers was het de laatste verdedigingswal van een radeloos filosoof, die na de dood van God voor het filosofische Niets stond en toen door de eerste emancipatiegolf ook nog in zijn laatste bastion, de mannelijkheid, bedreigd werd.

Huwelijksleven van David Vogel blijkt nu een van de belangrijkste werken uit de jaren dertig die het thema, dat intellectueel Wenen zo bezighield, op literaire wijze heeft vormgegeven. Maar daarmee zijn nog niet alle aspecten van Huwelijksleven genoemd. Zeker zo interessant is dat Vogel de drukte, het lawaai en de ordeloosheid van de moderne, grote stad als metafoor gebruikt voor de chaos in het hoofd van Gurdweill. Vogel blijkt weliswaar zeer verknocht aan Wenen en laat zijn hoofdpersoon, uitgelaten door de eerste lentezon, lange wandelingen door de stad maken, maar meestal is de stad bij hem toch de plaats waar anonieme massa's in volgepakte voertuigen van huis naar werk stromen in een kakofonie van piepende trams en schreeuwende krantenverkopers: “De mensen, die een hele werkdag achter de rug hadden, waren zeer gehaast en hun drukke gejaagdheid sloeg nu ook op Gurdweill over. Hoewel hij nergens speciaal naar toe moest, drong hij zich door de massa heen om een plaats te bemachtigen in een van de overvolle trams.”

Curieus

Het is curieus om te zien dat de befaamde eerste bladzijden van De man zonder eigenschappen van Robert Musil dat een jaar na Huwelijksleven zal verschijnen precies hetzelfde beeld bevat van de rusteloze stad, met “auto's die uit smalle diepe straten schieten” en “honderden soorten geluid, die zich als draden tot een geruis ineenstrengelden”. De stad “als een kokende blaas, dat in een vat rust, dat bestaat uit huizen, wetten, verordeningen en historische overleveringen”.

In beide boeken is de moderne stad de grote bedreiging voor de fijngevoelige geest, die zelf al zo verward is omdat ieder houvast aan de traditionele waarden en voorstellingen verloren is gegaan. Gurdweill mijmert vol sentimentaliteit over de rust en orde van zijn geboortestadje, in een tijd toen de wereld nog heel was en het uitgaanscentrum van Wenen is voor hem 's avonds een oord van vertwijfeld vermaak: “De mensen haasten zich naar plaatsen van vertier, dans en ontucht, niet altijd uit een werkelijke hang naar pleziertjes, maar meestal uit een drang om te vluchten... De meesten van die mensen zijn arme stakkers die bedrukt en bezwaard zijn en met zichzelf geen raad weten, kijk maar om je heen...!”

Voor Vogel is het café de enige schuilplaats tegen de chaos en de eisen die de stad aan zijn bewoners stelt. Voor Gurdweill en zijn vrienden is het café belangrijker dan de eigen woning. Een van die vrienden houdt in het toevluchtsoord zelf een intelligente oratie over het onderwerp: “Met het zitten in een café werp je een dam op tegen dwangmatig werken, want dat vergalt het leven... Altijd hebben mensen als wij het misplaatste gevoel dat het verblijf in een café tijdverspilling is en dat ze iets onherroepelijks verzuimen... Alsof je een vastgestelde taak zou hebben om een zekere hoeveelheid werk in een bepaalde afgemeten tijd klaar te hebben... De schadelijke invloed van onze materialistische generatie, een generatie van fysieke arbeid en gevorderde techniek. Maar du moment dat je een café binnenstapt heb je vrij... Een algeheel neerleggen waarbij het dolce far niente tot plicht verheven is.”

Voor Gurdweill is er iets dat nog meer het leven vergalt dan het werk bij boekhandel Kreindel. Dat is het onvermogen om zelf op enigerlei wijze in zijn lot, dat zich in snel tempo tot noodlot ontwikkelt, in te grijpen. Volkomen in de war gebracht door alle verschillende filosofische stelsels, die in zijn hoofd rondzoemen als stekende bijen, blijft hem slechts de conclusie dat zijn levensgang wordt bepaald door duistere krachten. Het zijn krachten waar hij geen enkele greep op heeft en die hij ook nooit zal leren kennen: “Kennen wij soms de verborgen bedoeling van alles? Alles wat er is in de wereld - er is sowieso noodzakelijkerwijs behoefte aan. Filosofische stelsels zijn alle slechts hypotheses en er is altijd ruimte voor tegengestelde hypotheses die ze weerleggen. Het feit dat iemand of iets bestaat impliceert op zich al het bestaansrecht, een speciale volmacht van deze of gene autoriteit is niet nodig.”

Met zo'n redenering valt het bestaan van het helse huwelijksleven tussen Thea en Gurdweill te rechtvaardigen en is Gurdweill ontslagen van de plicht iets te doen. Vogel gaat hiermee verder dan Musil. Want waar diens man zonder eigenschappen nog 2037 bladzijden lang overal vertwijfeld zoekt naar een nieuw houvast, laat Vogel zijn Gurdweil in 456 pagina's al geen enkele poging meer ondernemen.

Eenvoud

Resignerend stelt Gurdweill vast dat het gebrek aan houvast na de oorlog nog groter is geworden, “zelfs zo groot dat je soms de indruk krijgt dat het al die mensen eigenlijk spijt dat ze het overleefd hebben, dat ze het geluk hadden gered te worden... Misschien is er behoefte aan een nieuwe godsdienst om de vluchtende massa's op te vangen, ze terug te voeren tot zichzelf, de mensen dichter te brengen bij de natuur en de gezonde eenvoud...”

Drie jaar na het verschijnen van het boek zou Adolf Hitler die vluchtende massa's onder zijn hoede nemen en ze een nieuwe godsdienst geven. Maar Vogel zag de voortekenen niet: een antisemitisch incident in een Weense bus vertelt hij slechts in de marge en de bijeenkomst van de club van Arische Natuurminnaars in het café wordt voorgesteld als een koddige gebeurtenis van bigotte lieden.

Vogel zag die voortekenen niet omdat de politiek voor hem niet meer was dan een slecht opgevoerd theaterstuk. Hier is volgens vertaler Kees Meiling een wezenlijk verschil met het werk van Kafka. Hij merkt in zijn nawoord op dat bij Kafka de dreiging van een onzichtbare autoriteit en het wegvallen van een vertrouwde omgeving het individu van buitenaf belagen, terwijl bij Vogel de mens de gevangene is van zijn eigen emoties. Vogel noteerde in zijn dagboek: “Ik vind toevlucht slechts in mijzelf en me dunkt dat dit het hoogste stadium is dat de mens kan bereiken.”

De politieke werkelijkheid liet hem niet lang in dit stadium. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd David Vogel in Parijs voor de tweede keer in zijn leven gearresteerd, nu als Oostenrijks staatsburger. Na de capitulatie van Frankrijk kwam hij weer vrij en woonde tot 7 februari 1944 in Hauteville, in de buurt van Lyon. Op die dag werd hij door de Duitsers opgepakt en weggevoerd, naar men vermoedt met bestemming Auschwitz.

Daarna is nooit meer iets van hem vernomen. Na afloop van de oorlog werden door een vriend uit de moestuin van zijn hospita in Hautevilla de manuscripten opgegraven van de dagboeken, gedichten en andere prozawerken.