De echte beul brengt liefde

Op verzoek van het Cultureel Supplement schrijven regisseur Gerardjan Rijnders en recensent Kester Freriks elkaar elke maand een brief. In de vijfde aflevering schrijft Rijnders over de verfilming van het toneelstuk Edward II door de Britse filmmaker Derek Jarman. “De film balanceert op alle klippen van kitsch en sentiment en dat maakt hem onontkoombaar. Alle mogelijke bezwaren slik je onmiddellijk in, omdat er maar een conclusie mogelijk is: deze film moest gemaakt, nu en zo.” “Het is terecht dat je noodzaak verbindt met kitsch en sentiment”, antwoordt Freriks.

Beste Gerardjan,

Het is vijf uur op een heldere, donkere ochtend ergens in januari, een geschikte tijd om je brief over sentiment, noodzaak, dood en toneel te beantwoorden. De laatste maanden las ik onder de kap van dit huis, aan een stille kade met oude bomen, uitsluitend toneelstukken en een roman, De oude gringo van Carlos Fuentes. De regen zong soms in de goten of ik hoorde de harmonica van de wind in de boomtoppen. De theaters in de steden liet ik voor wat ze waren. Waarom zou iemand er telkens weer op uit moeten, de onrust tegemoet, om de verbeelde werkelijkheid van het toneel te aanschouwen?

Jij las een boek en wilde een lange tijd geen toneel zien. Ja, wat blijft er van het innerlijk theater dat iedereen met zich meedraagt over wanneer dat uitsluitend bevolkt wordt door acteurs en actrices die een bedacht personage voor het voetlicht brengen?

De afgelopen vijf dagen hadden er een kleine vijftien premières plaats in Nederland. Van toneel en dans. Is dat aantal ontmoedigend of vreugdevol? Het ene gezelschap onderzoekt "de muzikale en theatrale mogelijkheden' van de conversatie. Elders zijn er eenakters "over de liefde' te zien. Arthur Schnitzler schreef De eenzame weg, een toneelstuk over Wenen rond de eeuwwisseling. De voorstelling daarvan was een van de premières.

Die verlaten weg ken ik wel: het is de auto- of treinreis kriskras door het land, op weg naar of terug van een theatervoorstelling.

Vaak is die weg na afloop eenzamer dan tijdens de heenreis. Als ik me naar een voorstelling begeef doe ik dat uit hoopvolle verwachting, die hoger gespannen is wanneer ik het toneelstuk tevoren heb gelezen. In gedachten zie ik scènes voor me. Ik hoor de acteurs en actrices de zinnen uitspreken en word alvast iets gewaar van ritme en sfeer van de naderende voorstelling. Tot op het moment dat het doek opgaat, blijft die stemming van ontvankelijkheid intact. Wat er tussen kwart over acht en elf uur op de Bühne gebeurt, is vaak een heel ander verhaal. Dat van de teleurgestelde verwachting en een diep, opstandig stemmend onbegrip. Daarvoor hebben we een mooie uitdrukking: "Wat bezielt die mensen toch?' In het verlengde daarvan: "Waarom moet ik getuige zijn van hùn vertoning?"

In dialoog met mezelf gewikkeld begin ik aan de terugreis. Natuurlijk, meestal kom ik uit bij het begrip "noodzaak'. Toneel is, meer dan enig andere kunstvorm, openbaar jachtterrein. De devotie waarmee hedendaagse beeldende kunst wordt benaderd, is ondenkbaar in het theater. Het toneel is, om onduidelijke redenen, geen respect afdwingende kunstvorm. Het zou maar een verkleedpartij zijn en dergelijke. Sneller dan over een schilderij of sculptuur heeft men zijn mening over een voorstelling geformuleerd. Dat komt omdat de levende personages die de acteurs op de speelvloer zijn, worden gemeten met dezelfde maatstaven als waarmee we in het dagelijkse leven mensen beoordelen. "Acteur die en die is altijd hetzelfde.' Of: "Ik kan echt niet luisteren naar actrice zus of zo, in welke voorstelling ze ook staat.' Er kan nog zulk rigide regisseurstheater zijn, tien minuten nadat het doek is gevallen gaat het gesprek onvermijdelijk over de spelers met hun eigenaardigheden en kwaliteiten.

Zonder innerlijke noodzaak geen kunst. Maar die noodzaak kan zich tegen het kunstwerk keren, en dan heet het pathetische zelfvergroting. Ik heb voorstellingen gezien waarvan de noodzaak tot maken zo groot was, het spatte er als het ware vanaf, dat het getoonde voor mij ondraaglijk werd. Alsof ik met de rug tegen de muur werd geduwd en geen adem meer kon halen. Die noodzaak maakte mij niet tot deelgenoot maar tot buitenstaander. De wereld van de voorstelling was gesloten, niet voor mij bestemd. Artistieke zelfoverschatting van degenen op het podium. Dat is mijn benauwende ervaring met "hamacting', ofwel, ongeveer: zijn rol afdraaien.

Er zijn mensen die Mozart's Requiem zijn "noodzakelijkste' compositie vinden, omdat de meester kort daarna stierf en het werk onvoltooid achterliet. Oog in oog met de dood zou de innerlijke noodzaak het meest intens zijn. Dat is een op vals mededogen berustend misverstand. Het strijkkwartet in g-klein of de opera Don Giovanni zijn geen mindere gevechten met de dood.

Het is terecht dat je noodzaak verbindt met kitsch en sentiment. Beluister ik daarin iets van een poëtica? Toneel en literatuur hebben voor mij met tegenstellingen te maken, zoals in de film Edward II kitsch misschien het contrast vormt met noodzaak. Hoe groter de drijfveer om iets te maken, des te verhulder moet die drijfveer zijn. Opdat we niet met de bedoeling worden geconfronteerd, maar met de vorm die daarvoor is gevonden. En vorm is dan de eenheid van mededeling en uitdrukking.

De allergrootste acteurs, die de meeste ontroering bij de toeschouwer kunnen opwekken, beschikken veelal over een geringe sensibiliteit. Voor het toneel kan dat een noodzakelijke tegenstelling zijn.

Een voorstelling die mislukt, is te gronde gegaan aan de opzettelijkheid van haar bedoelingen. Dat maakt haar ontoegankelijk. Een actrice hoeft niet met haar hele hart te voelen, dat zou haar larmoyant maken en uitputten. Ze mag zich evenmin verliezen op het toneel, al "geeft' ze zich in een tragische scène geheel en al. Het spel moet in balans zijn.

In de Italiaanse hofcultuur bestaat een woord, waarin noodzaak en distantie, emotionaliteit en beheersing verenigd zijn: sprezzatura. Het ogenschijnlijk vanzelfsprekende gemak, zonder een spoor van worsteling, waarmee een kunstwerk wordt gemaakt. Het volmaakte gedicht of marmeren beeld is het resulaat van die sprezzatura.

In Nederland overheerst, zeker bij het toneel, de mening dat je aan een voorstelling juist het geworstel met de materie moet kunnen aflezen, het eeuwigdurende gevecht tussen het toneelpersonage en de persoonlijkheid van de acteur. Zogenaamd ook de kloof tussen fictie en werkelijkheid. Dat verklaart een merkwaardige voorkeur voor onaffe produkties, werkvoorstellingen en de schaamteloze invitatie aan het publiek een kijkje te komen nemen tijdens het repetitieproces. Dat proces behelst dan de uiteindelijke, in de zaal uitgebrachte voorstelling.

Na zoiets keer ik over de weg terug naar huis met slechts een verlangen: "Ik wou dat ik mijn ogen kon reinigen van het zien.' Op de verkeerde wijze ben ik ontwapend, want tegen deze in de openbaarheid gebrachte worsteling met het materiaal is geen verweer mogelijk. Alsof de soepele, buigzame floret die ik in mijn handen hield is weggeslagen door een knoestig stuk hout.

Een toeschouwer moet de vrijheid hebben om tijdens een voorstelling zijn eigen fantasie te volgen. Daarom is het een voorwaarde die innerlijke noodzaak in evenwicht te brengen met kitsch of het emotioneel-tragische met vormbeheersing. Zoals Racine zich dat laatste als ideaal stelde bij Andromaque, een ideaal dat ik vorig seizoen in de vergulde lijst van de Amsterdamse Stadsschouwburg zag nagestreefd en verwezenlijkt. Of, met een iets minder strenge maar even waardevolle inzet, in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag bij Maria Stuart van Schiller.

Het is aan de regisseur om de toeschouwer de vrijheid te bieden de werkelijke betekenis van een voorstelling te ontdekken, niet op meters afstand zichtbaar, wel erin verborgen zoals een goudader in de berg. Op het moment dat de toeschouwer noodzaak ontwaart, ondergaat hij volgens mij dezelfde sensatie die jij beschrijft: het "moest zo gemaakt, nu en zo'. En niet anders.

Het is licht geworden boven de huizen en ik ben er niet aan toegekomen te schrijven waarom het lezen van toneelstukken zo'n verrijking biedt, die in de uitvoering niet altijd wordt geëvenaard. Daarover later.

Van de narcis was me onbekend. Wel las ik in het prachtige boek over doodsverlangen, De oude gringo van Fuentes, de volgende passage over to be. Zal vanaf nu geen vertaler of regisseur het in zijn hoofd halen to be in de befaamde Hamlet-monoloog tot bestaan te verhaspelen en op de planken te brengen? Gelukkig vertaalde Gerrit Komrij in de Hamlet (1986) door het Publiekstheater: “Er zijn - of er niet zijn, is het probleem.” Ik heb het weleens anders gehoord.

Dit schrijft Carlos Fuentes over Harriet Winslow, de vrouwelijke hoofdpersoon uit de roman: “Toen besefte ze dat er in het Engels alleen maar één soort van "zijn" vervoegd wordt - to be - wat in het Spaans het "zijn" en de schim van het "zijn" was: ser en estar, een vorm van bestaan die de spiegel van de andere is, maar tegelijkertijd de gedaanteverwisseling ervan: een onafgebroken verandering, zoals geest en vlees.”