Beers

Er was eens een jongen uit eenzame streken

Die als hij dat wilde met beren kon spreken.

Soms maakte hij urenlang berengeluiden

Waarvan hij ook steeds de nuances kon duiden:

Er zijn in de berentaal woorden voor zaken

Waar wij in het Hollands nog nooit over spraken.

Zo is er in 't Beers geen goed woord voor verschoning,

Maar wel zijn er zes synoniemen voor honing,

Een woord voor een beer die al vaak is geaaid,

Of wel eens een keer naar een kind heeft gezwaaid;

Een woord voor een beer die nog nooit heeft gezwommen,

Maar wel eens een keer uit zijn bed is geklommen;

Voor een beer die zich niet met koud water wil wassen,

Voor beren met jicht en voor beren met jassen,

Voor een beer zonder geld en een beer met salaris,

Voor een beer die wil knippen en niet weet waar de schaar is.

Zijn pa noch zijn ma verstaan er een woord van:

"Hou nu maar eens op want ik raak er gestoord van,'

Zo klonk het heel vaak in het huis van die jongen:

"Nu is je gebrom zelfs tot hier doorgedrongen.

Nou praat je alweer met de stem van een beer,

Je beloofde 't te laten en nu doe je het weer.'

Maar het horen van Beers maakt die jongen extatisch;

Hij spreekt het zo goed en zo idiomatisch.

Laatst zei hij ineens tot een dame in Artis:

"Beseft U dat 't lot van de beren heel hard is?

Het grieft ze heel diep dat geen mens ze verstaat;

U merkt het niet eens als een beer met U praat.

Mevrouw, deze beer wil U graag eens omarmen:

Hij zegt dat hij bijna bezwijkt voor uw charme.

Hij vindt dat u zelf wel wat lijkt op een beer:

Ach mag hij een keertje, toe, mag hij een keer?'