Antieke weemoed van Hans R. Vlek; Nooit gebrek aan gnozen en extazen

Hans R. Vlek: De kylix van Liber. Uitg. Querido, 48 blz. Prijs ƒ 25,-

Hans Vlek was net achttien jaar oud toen hij in 1965 debuteerde met Anatomie voor moordenaars. Een jaar later moest zijn vader nog mee naar het kantoor van Querido om het contract voor zijn tweede bundel te ondertekenen, want zelf was hij nog te jong om zijn handtekening te mogen zetten. Op zijn 23ste was hij al toe aan zijn eerste verzamelbundel en aan zijn eerste grote prijs (de Jan Campertprijs 1970) en ook meteen aan zijn eerste dichterlijke inzinking. Er verscheen in 1972 nog een nieuwe bundel, maar de titel daarvan sprak wel voor zichzelf: Voor de bakker. En daarna werd het stil rond de jonge dichter.

Vlek schreef nog wel, en ook veel, maar zijn gedichten werden door Querido geweigerd. Voor zijn nieuwe werk vond hij aan het eind van de jaren zeventig elders onderdak: in 1979 verscheen De toren van Babbel, een jaar later gevolgd door de al even melige Onnette Sonnetten (144 stuks). Querido probeerde het in 1980 weer met een keuze uit zijn eerste vier bundels, maar ook deze bloemlezing werd nauwelijks opgemerkt. Zij bevestigde alleen maar het beeld van Vlek als een inmiddels historische figuur, een soort van Riekus Waskowsky of Alain Teister: een vroeg opgebrand jong talent, een dichter van een paar aardige bundels, vroeger, ooit eens.

En zo kon het gebeuren dat Vlek nog ruim voor zijn veertigste aan een tweede dichterlijke jeugd kon beginnen en herontdekt kon worden. Om een of andere reden werden zijn gedichten in de loop van de jaren tachtig beter. Het leidde tot een stroom tijdschriftpublikaties en tot twee nieuwe lijvige bundels bij Querido waarmee hij zijn oude reputatie van jong talent eer aan deed. De goddelijke gekte (1986) en Boghazkøy (1987) zijn de bundels van een dichter die met een natuurlijk gemak dicht, vanuit een overvloed aan indrukken en gedachten, met gevoel voor humor en een hang naar geleerde duisterheid; dit alles doorschoten met dichterlijke waanzin en religieuze vervoering.

Om onderwerpen heeft Vlek nooit verlegen gezeten. Ook zijn nieuwe bundel De kylix van Liber wekt nergens de indruk moeizaam tot stand te zijn gekomen. ”Ach, nooit gebrek gehad/ aan gnosen en extazen,/ vrouwen en 't godsverbazen/ dat 't leven heilig houdt', deelt hij meteen al in de eerste vier regels van het eerste gedicht mee. Als er voor hem al problemen zijn, dan liggen die elders: niet in de onderwerpen voor een gedicht, maar in de vraag of al die onderwerpen wel in één gedicht bij elkaar te houden zijn.

Hij kreeg daarbij steun uit onverwachte hoek: uit de hoek van het rijm en van de vaste versvorm. Meer dan de helft van alle gedichten is sonnet of behoort tot de sonnet-achtigen en bijna allemaal zijn ze van vlot eindrijm voorzien. Dat is verrassend, want in zijn laatste twee bundels had hij zich nog verzet tegen ”de oubolligheid van oude poëzie” met haar ”zielsverwringend rijm' dat ”denken en dichten verknipt' en tegen de sonnetten met hun op maat geknipte regels, ”als bossen snijbloemen'. Maar inmiddels is hij, zo legt hij nu in een nieuw sonnet uit, in de ban van het rijm geraakt. Het heeft ”oude intuïtie' in hem wakker geroepen, het heeft zijn ”adem tot golfslag gemaakt' en het heeft hem doen verwijlen ”in antieke weemoed'.

Antieke weemoed wordt hier op allerlei manieren beleden. Vlek heeft zich vooral laten inspireren door de bakermat van onze beschaving: door het Egypte van de farao's, door de Bijbel, Arabië en Noord-Afrika, door de oude Grieken en het oude Romeinse Rijk, door middeleeuws Spanje en renaissancistisch Italië. Er is daarnaast aandacht voor bijvoorbeeld Oosterse religie, Strawinsky, hi-fi-installaties en vliegende schotels, want Vlek schrijft poëzie in een hoge versnelling. Quasars, chips, fotonen en isotopen figureren naast thyrsen, lyrepen, dekadrachmen en haruspexen, want Vlek noemt de dingen graag bij hun werkelijke naam, in volgestouwde zinnen.

Naslagwerkenpoëzie

Bevat De kylix van Liber dus de naslagwerkenpoëzie die de exotische titel al lijkt te beloven? Ja en nee. Voor een goed begrip hoeven al die vreemde woorden en namen misschien niet opgezocht te worden. En gelukkig verheldert Vlek alleen al met zijn nuchtere, ironische of anderszins alledaagse wendingen veel. Maar het kan vast ook geen kwaad om te weten dat een kylix een beker of bokaal is en Liber een ouditalische vegetatiegod, later met Bacchus gelijkgesteld, en dat de Arianen ketters waren die de goddelijkheid van Christus loochenden. Dan valt toch beter te begrijpen waarom Vlek ene Theophileos in 453 na Chr. aan de Arianen in Sardes laat schrijven dat hij thuis ”nog 'n oude kylix heeft staan' met een afbeelding van ”t druifidool' (Bacchus) erop. Het lijkt Theophileos wel grappig als zij die nu bij hun avondmaal gaan gebruiken. En of ze maar een seintje willen geven; dan stuurt hij die kylix van Liber wel op.

In zulke historische taferelen is Vlek op zijn best, al ontaardt zijn gezelligheid ook wel eens in scabreuze ongein of flauw plezierdicht. Er is een mooi portret van Melchizedek in zijn paleis. We zien hem zitten en peinzen. Hij lacht wat ”om z'n harpist op leren pouffe', hij drinkt wat, hij wijst de bijslaap af en verheugt zich op de nacht die hij met een goede vriend zal doorbrengen: ”bij bitter bier, tincturen, tablet en beider grimlach'. In een ander gedicht wordt de oude Pindarus aan het woord gelaten. In een weemoedige monoloog haalt hij herinneringen op aan de tijd toen hij nog overwinningszangen voor de sporthelden schreef. Toen konden de atleten nog echt hard lopen. Toen had je nog worstelaars als Filerakles, zo sterk dat zijn tegenstanders uit vrees een hernia voorwendden. Toen had je nog echte omkoopschandalen. Terwijl nu de voormalige topruiter Hipokates ”kreupel kaas en olijven verkoopt' om in zijn onderhoud te voorzien. Zijn olympische medailles heeft hij ”boven de kraam geknoopt// om zo de omzet goochem te verhogen'. Zelfs in de portretten van mystici, kluizenaars, godzoekers en lichtzieners overheerst een zekere opgeruimde toon - alsof ze het liefst allemaal hadden willen versterven door als die ene oude man

(...) bij 'n biertje tijdloos te verglazen

in de broze weiden van 't onsterfelijk zijn -

Er zijn nogal wat gedichten die zo onbekommerd verhalen van vroeger om dan met een gedachtenstreep te eindigen - een afronding in de vorm van een betekenisvolle wending of duiding blijft meestal achterwege. De duiding moet eerder in tussenzinnen worden gezocht, of in de bundel als geheel. Zelfportretten lijken mij dit niet en ook geen romantische uitvluchten van een dichter die probeert in een verleden toen alles beter was onderdak te vinden. Vlek heeft wel kritiek op het heden (op de kitsch, de wansmaak en het materialisme onder andere) en hij is wel geneigd het verleden te verheerlijken, maar dat lijkt me eerder uiting van iets anders: van een vrolijk geloof in de eenheid van alles en van een brahmaans verlangen om in dat alles op te gaan.

Is Hans R. Vlek dan onze nieuwe J.A. dèr Mouw? Er valt iets voor te zeggen. De sonnetten, de volgeladen zinnen en de apostroffen zijn er al. De kennis van de klassieken en de belangstelling voor de nieuwste wetenschappelijke inzichten eveneens. En eenzelfde gevoel voor het Al. Zo portretteert Vlek zichzelf: ””k Ben blij dat ik niet besta/ maar beeldendrinkende verga/ in de eindloze oceaan van tijd die/ als 'n potvis op m'n atlas rijdt.// Men noemt dat: Droom der Eeuwigheid,/ waarin geen plaats is voor 'n enig ik. Dit zijn regels uit een gedicht met de duidelijke titel ”De schizofreen'. Dèr Mouw noemde zich juist Adwaita, ”tweeheidsloos'. Maar dat is in de eindloze oceaan van tijd vast een marginaal verschil.