Zalm wil meer dan schoon water in Rijn

UTRECHT, 16 JAN. Hij zat er ook bij, gisteren in Utrecht op het symposium "Zalm terug in onze rivieren': beroepsvisser A. Klop uit Boven-Hardinxveld, die de laatste tijd regelmatig "verdwenen' vissoorten met zijn netten ophaalt. Spiering, bot, prik, barbeel, zeeforel of schotzalm en één keer zelfs een echte zalm. Die vangsten uit de Merwede en omstreken moeten koren op de molen zijn van twee ministeries, dat van landbouw, natuurbeheer en visserij en van verkeer en waterstaat, die als organisatoren van de studiedag optraden. Samen doen ze hun best om trekvissen, in het bijzonder de zalm, in Rijn en Maas terug te krijgen en uit recente meldingen, zoals die van Klop, valt af te leiden dat die opzet kans van slagen heeft.

Als de zalm, die hier in de jaren vijftig uitstierf, inderdaad zijn rentree als Nederlandse rivierbewoner mocht maken, zal dat mede te danken zijn aan een verbetering van het Rijnwater. Omstreeks 1970 bereikte de waterkwaliteit als gevolg van industriële en andere lozingen een dieptepunt, maar later werd de rivier langzaamaan schoner. Ironisch genoeg kwam dit proces pas goed op gang na de rampzalige brand (eind 1986) bij het Zwitserse chemieconcern Sandoz, die tot gevolg had dat een grote gifgolf de Rijn afstroomde. Deze gebeurtenis had in elk geval één gunstig effect: de Rijnoeverstaten aanvaardden het jaar daarop een gemeenschappelijk plan tot versnelde sanering van de rivier, het Rijnactieprogramma of kortweg RAP.

Een van de doelstellingen van dat plan luidde: in het jaar 2000 moet de zalm weer terug zijn in de Rijn. De zalm gold bij die gelegenheid als symbool voor een grotere groep van trekvissen, waaronder ook houting, spiering en fint, en hun gezamenlijke "wedergeboorte' moest weer de uitdrukking zijn van een algeheel ecologische herstel.

Dat hierbij niet alleen de waterkwaliteit een rol speelt, werd gisteren op het Utrechtse symposium in vele toonaarden benadrukt. Om de zalm na zijn omzwervingen op de noordelijke Atlantische Oceaan in staat te stellen zijn paaiplaatsen op de bovenrivier te bereiken, moeten stuwen en sluizen, ooit gebouwd ten behoeve van de scheepvaart, zijn uitgerust met vistrappen: onontbeerlijke passages die tot nu toe ontbreken of uiterst gebrekkig functioneren. De rijksoverheid is zich daarvan bewust geworden en spant zich nu in om op het Nederlandse deel van Rijn en Maas, alsook in de Overijsselse Vecht dergelijke voorzieningen aan te brengen. De hele operatie gaat ruim 20 miljoen kosten en moet in 1996 voltooid zijn. Verder wordt gewerkt aan verbetering van de "intrek' via Afsluitdijk en Haringvlietsluizen, terwijl ook de Internationale Rijncommissie, ambtelijk overlegorgaan van de vier oeverstaten, een herstelprogramma op stapel heeft staan.

Toch gaat dit de milieubeweging niet ver genoeg, zoals gisteren in Utrecht bleek. Diverse organisaties, samenwerkend in het Waterpakt, waarschuwden dat de zalm nooit op eigen kracht in Rijn en Maas zal terugkeren als de overheidsmaatregelen zich tot herstel van paaigebieden en de aanleg van vistrappen beperken. “De nog altijd slechte waterkwaliteit”, aldus het Pakt, “vormen een onneembare hindernis, omdat migrerende vissen hun weg via de geur van het water vinden en veel verontreinigingen de daarvoor noodzakelijke reukzin aantasten.” Met andere woorden: de onzichtbare chemische belemmeringen krijgen nog onvoldoende aandacht, al bestaat er dan zoiets als een Rijnactieplan.

Dit sombere geluid lijkt in tegenspraak met de jongste ervaringen van bijvoorbeeld Klop uit Boven-Hardinxveld. De schotzalmen die hij als riviervisser regelmatig naar boven haalt, mogen dan geen echte zalmen zijn, hij ving toch ook een onvervalste representant van de "koningin der vissen'.

Een dwaalgast, zoals hij door de Organisatie ter Verbetering van de Binnenvisserij werd betiteld? Dr. R. Boddeke, bioloog aan het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO) in IJmuiden, gaat ervan uit dat de bewuste zalm afkomstig is uit de Sieg, een zijrivier van de Rijn in Duitsland, waar in de loop der jaren duizenden jonge zalmen zijn uitgezet. Ze trokken de oceaan op naar hun "weidegebieden' bij Groenland en moeten deels, op zoek naar hun geboortegrond, in de Nederlandse delta zijn teruggekeerd. De vangst van Klop was weliswaar een zeldzaamheid, maar ook weer niet uniek, aldus Boddeke. Sinds 1984 zijn in het Rijn- en Maasgebied bij elkaar zestien zalmen gedetermineerd met een piek van zeven exemplaren in 1990.

Toch gelooft de RIVO-bioloog voorlopig niet in een opzienbarend herstel van de zalmstand. Hij drukt zich voorzichtig uit: “Op dit moment lijkt er nog geen sprake te zijn van een populatie die zichzelf in stand houdt. De schotzalm of zeeforel redt zich wel, maar voor de echte zalm is meer nodig.”

Het zal, met andere woorden, wel even duren voor er weer sprake is van dienstmaagden die bij hun sollicitatie bedingen dat ze slechts twee keer per week zalm hoeven te eten. Gisteren op het symposium was het staatssecretaris Gabor (landbouw, natuurbeheer en visserij) die deze belegen anekdote weer ophaalde, maar het verhaal verdient op zijn minst een nuance, zoals ook uit een andere voordracht op te maken viel.

De vissersplaatsen aan de rivier kenden in vooroorlogse tijden rijke zalmjaren. Voor Heerewaarden, ingeklemd tussen Maas en Waal, was 1924 zo'n vruchtbaar seizoen met een topvangst van vijftig exemplaren (samen circa duizend pond) op één dag. Dat gaf vreugde in het dorp, omdat deze vis een gulden per pond opbracht. Die prijs gold echter alleen voor de optrekkende zalm, waarvan het vlees als “heerlijk, rood en vet” werd omschreven, een lust voor het verhemelte, zowel gerookt als in schijven gebakken. Dit alles in scherpe tegenstelling tot het bleke, magere en bijna oneetbare vlees van de aftrekkende dieren, die al hun krachten bij het paaien op de bovenstroom hadden verspeeld. Dat moet de zalm zijn geweest die de dienstmeisjes van weleer, voor zover ze al iets in te brengen hadden, slechts twee keer per week op hun bord wensten.