Werknemers voelen effecten van plan-Simons in salaris; Loonstrookje ontgoochelt

ROTTERDAM, 16 JAN. Meneer A. zit enigszins verslagen achter zijn bureau. Voor de kerstdagen was hem door de werkgever een knappe periodieke verhoging in het vooruitzicht gesteld. De loonstrook die hij gisteren kreeg heeft nu duidelijk gemaakt dat hij er niettemin 34 gulden netto op is achteruit gegaan.

Een kleine rondgang in het bedrijf laat zien dat hij niet eens mag mopperen. Er zijn er die 180 gulden besteedbaar inkomen per maand hebben ingeleverd en nu ontgoocheld de administratie bellen. Loonstroken worden deze maand met meer dan gewone aandacht doorgenomen.

Het leeuwedeel van de loonsvermindering komt voor rekening van het plan-Simons, dat - hoewel dit jaar slechts ten dele ingevoerd - een forse schaduw vooruitwerpt. Daarnaast zijn er aanzienlijke verhogingen in de sfeer van de sociale premies en de volksverzekeringen.

Voor ouders met kinderen van achttien jaar of ouder komt de nominale premie op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) waaruit dit jaar voor het eerst de geneesmiddelen worden betaald, hard aan. Voor iedere verzekerde ouder dan achttien jaar moet 126 tot 132 gulden per jaar worden betaald. Die marge van zes gulden wordt bepaald door de verzekeraar, die daarmee een beetje kan concurreren. Daarnaast is er de inkomensafhankelijke premie AWBZ, die vorig jaar 5,8 procent bedroeg en nu is verhoogd tot 7,3 procent. Dat is een stijging van 25,86 procent, die door iedereen wordt betaald.

Op de loonstrook zien particulier verzekerden verder, dat de "wettelijke bijdragen' sterk zijn gestegen, zoals de zogeheten MOOZ-pooling. Dat betreft een bijdrage die dateert van 1986, toen de vrijwillige- en de bejaardenverzekering waarvoor vroeger de ziekenfondsen zorg droegen, werden afgeschaft. Zowel zelfstandigen als ouderen zijn sindsdien bij particuliere verzekeraars onderdak. Die verzekeraars werden indertijd gedwongen deze verzekerden een "standaardpakketpolis' aan te bieden, die hetzelfde vergoed als het ziekenfonds. Om in de daaruit voortvloeiende kosten voor de particuliere verzekeraars tegemoet te komen - ze werden gedwongen heel wat bejaarden en dus "slechte risico's' te accepteren - kregen de overige verzekerden met deze "Medefinanciering Oververtegenwoordiging Oudere Ziekenfondsverzekerden' (MOOZ) te maken. Dat bedrag is dit jaar met 44 procent gestegen.

Een gezin met twee kinderen, ouder dan achttien jaar betaalt nu alleen al door de nominale AWBZ-premie 42 gulden per maand meer. Daarbij is het van belang of die kinderen studeren. Dat wil zeggen: studeren in de zin van de Wet op de Studiefinanciering. In dat geval kunnen die kinderen zich verzekeren voor 720,36 gulden per jaar.

Pag 3:

Ziekenfondsverbeterde is beter af

Daarin is alles begrepen, dus een volledig verzekeringspakket, de MOOZ-pooling, maar ook de nominale premie. Bij een gemiddelde verzekeringsmaatschappij zou alleen al voor het volledige pakket 1.157,49 gulden moeten worden betaald. Het verschil per studerend kind zou dus 437,13 gulden op jaarbasis bedragen. Dat verschil wordt nog groter indien de studerende 21 jaar of nog ouder is. Bij de gewone ziektekostenverzekeraar gaat de premie dan stevig omhoog, maar de nieuwe studentenverzekering kent geen leeftijdsgrens. Het verschil loopt dan in het rekenvoorbeeld van de gemiddelde particuliere verzekering op naar 664 gulden per jaar.

Ziekenfondsverzekerden - werknemers die minder verdienen dan 54.400 gulden bruto per jaar - gaan er wat de premie betreft op vooruit. In de top van deze inkomenscategorie werd vorig jaar 4,87 per dag betaald, dat is nu 2,14 geworden, een vermindering van 56 procent. De werkgever gaat voor deze werknemers meer premie bijdragen. Dat was 8,46 gulden en is nu op 9,17 guldengebracht, een verhoging van acht procent. Voor de werknemer heeft dat weer als nadeel dat hij over de werkgeversbijdrage meer belasting behoeft te betalen.

Voor particulier verzekerden hangt het af van de ziektekostenverzekeraar, maar in het algemeen blijft zijn premie gelijk of gaat slechts met een procent of twee omlaag. De verzekeraars gaan ervan uit dat de kosten voor de huisartsenhulp (waarbij over het algemeen de medicijnen waren inbegrepen die nu uit AWBZ-gelden worden betaald) zullen dalen, terwijl de kosten van ziekenhuisopname zullen stijgen. Al bij al zou volgens de ene verzekering wel, de andere niet de premie met ongeveer 2,5 procent omlaag kunnen.

Maar het zijn niet alleen de gevolgen van een deels gewijzigd stelsel van ziektekostenverzekeringen, die de loonstrook een ander aanzien geven. Zo is voor de hoogste inkomens geen inflatiecorrectie van drie procent doorgevoerd. Voorts is de eerste schijf van de loonbelasting verhoogd. Dat geldt voor iedereen. Alleen de belastinggroep bepaalt de hoogte van het verschil. Ging het vorig jaar nog om een heffing van 35,75 procent, dit jaar wordt 38,55 procent geheven. Die verhoging wordt veroorzaakt door het premiedeel waaruit AOW, AWW en AWBZ worden betaald. Dat deel bedroeg vorig jaar 22,75 procent en is nu opgetrokken tot 25,22 procent.

Bedrijfstaksgewijs is er voorts een wijziging van de sociale lasten gekomen. Voor meneer A. bijvoorbeeld, werkzaam in de uitgeverijwereld, betekent dit, dat hij meer is gaan betalen voor de werkloosheidswet en de wachtgeldverzekering. Dat percentage bedroeg vorig jaar 0,6 en is nu 0,905 geworden, een verhoging van ruim vijftig procent.

De WAO-premie is gestegen van 12 naar 13 procent. Maar dat is niet de enige wijziging. Ook het dagloon, waarover de WAO-premie wordt berekend is gestegen. Werd de premie eerst over 274 gulden berekend, dat is nu 282 gulden geworden. Dus zowel het percentage WAO als het bedrag waarop de premie wordt geheven is verhoogd. Daar staat tegenover dat de franchise - het deel van het dagloon waarvan geen WAO-premie wordt afgedragen - ook is verhoogd, van 95 tot 98 gulden. Per saldo komt het er echter op neer dat de hogere inkomens met een stijging WAO-premie van 11 procent zijn geconfronteerd.

Wat de gevolgen van de overheidsmaatregelen voor de werknemer zijn is niet precies te zeggen. Ze hangen af van de hoogte van het inkomen, maar door de nominale premie AWBZ vooral ook van de gezinssamenstelling. De inkomenseffecten zijn echter fors. Bij de loonadministraties van verscheidene bedrijven wordt nu al gesteld dat een looneis van zo'n zes procent nodig zou zijn om de gemiddelde inkomensachteruitgang bij de hogere inkomens goed te maken.