Wanneer betaalt Nederland eindelijk het Brusselse leergeld? ; Den Haag moet inzien dat het constitutioneel niet is uitgerust voor het nieuwe Europese spel

Het zwakstroomnet der Nederlandse democratie is bij herhaling ongeschikt gebleken voor aansluiting op het Europese hoogspanningsnet. De problemen tijdens de voorbereiding van Maastricht hebben alleen maar geleid tot de meest recente explosieve oververhitting. De oververhitting is deze keer echter wel veel heviger geweest mede doordat het internationale klimaat totaal is gewijzigd. Er is een veel grotere beweeglijkheid ontstaan in de internationale politiek waarop niet langer gereageerd kan worden met de oude beproefde formules waarmee Buitenlandse Zaken placht te opereren in gevestigde kaders als Navo en EG-oude stijl.

Dat er belangrijke fouten gemaakt zijn in Den Haag is onloochenbaar. Belangrijker is de vraag welke lessen daaruit in dit stadium van de evaluatie van het Nederlands voorzitterschap kunnen worden getrokken. Wijzer willen worden met het oog op de toekomst, als het even kan met minder schade en schande dan in het verleden, is toch een alleszins gangbaar menselijk streven?

Hier volgen slechts een paar voorbeelden van tekortkomingen die in de toekomst alle aandacht verdienen: 1. De timing van de aanpak der WAO-kwestie: het interfereren van binnenlandse "hot issues' bij het begin van het Nederlandse voorzitterschap. Was het werkelijk niet te vermijden dat deze ongetwijfeld belangrijke, maar al heel lang lopende kwestie net aan het begin van het Nederlands voorzitterschap tot exploderen kwam? Dat de premier en vice-premier, tevens minister van financiën, maar zij zeker niet alleen, enige weken hun hoofd niet of tenminste minder dan nodig was bij de Europese les konden houden, was overduidelijk. Er zijn Nederlandse regiefouten over Europa aan te wijzen die direct samenhangen met het politieke remous in Den Haag. Europa stelt nu eenmaal zijn eisen, ook aan de binnenlandse politiek. Er moet in Den Haag lang voor het voorzitterschap begint, gepoogd worden voor Brussel ruimte te creëren. Zelf in die periode politieke bommen te gaan leggen lijkt op het eerste gezicht niet het verstandigste ter voorbereiding van een Europees voorzitterschap. Ik ga nu maar voorbij aan de vraag of het kabinet zelf deze WAO-explosie voorzien heeft. Zo nee, dan zou er niet meer gesproken kunnen worden van één flater - timing -, maar van ten minste twee. 2. De kwestie dat nog steeds een sterke coördinerende rol van de regeringsleider en het daarbij behorende departement ontbreken, terwijl de structuur van de Europese besluitvorming ons dwingt te komen tot zo'n staatsrechtelijke hervorming. Niet alleen om het stroperige Haags interdepartementaal overleg over Europese zaken, met alle competentiestrijd die daaraan eigen is, te couperen is die coördinatie broodnodig. Vooral ook voor het externe optreden in Europees verband is die coördinatie op het hoogste regeringsniveau onmisbaar. Van nabij hebben we weer eens kunnen zien tijdens de voorbereiding van Maastricht wat er gebeurt, wanneer zo'n top niet vroegtijdig op het hoogste niveau wordt voorbereid door herhaalde lobbyreizen naar alle partnerhoofdsteden en andere contacten van dezelfde aard.

Kamer noch kabinet schijnt zich te realiseren dat de structuur van de Europese besluitvorming Nederland dwingend voor een politieke keuze stelt die niet meer omzeild kan worden: òf we geven constitutioneel de premier voldoende bevoegdheden voor interdepartementale coördinatie wat betreft Europese zaken (en wat is dat niet tegenwoordig?), maar vooral ook om daarna slagvaardig op de Europese top te kunnen opereren, òf we houden het zoals het constitutioneel nu is, met het grote voordeel dat we wel ons zeer waardevolle democratische zwakstroomnet in stand houden. De premier mag slechts primus inter pares zijn. In het tweede geval moeten we ons wel realiseren dat dit kan leiden tot grote risico's, want op cruciale momenten missen we de aansluiting met de Europese hoogspanning. De schadeposten voor Nederland zullen op den duur als gevolg van die gemiste aansluiting niet gering zijn.

Tijdens de top van Maastricht kon de schade nog verbloemd worden door de reddingsactie van Lubbers in een zeer laat stadium, nadat hij zich al te lang zeer terughoudend had gedragen om nieuwe aanvaringen met zijn collegae te vermijden.

Nederland is nu eenmaal zo gelukkig tenminste een premier te hebben die persoonlijk een meester is op het Europese wapen, maar staatsrechtelijk kent onze parlementaire democratie niet een structuur die de regeringsleider veel armslag geeft tegenover zijn ambtgenoten. In het geval van Maastricht hadden we wel de figuur die het kon, maar niet de formele structuur die hem de benodigde armslag geeft. Het zal er slecht voor Nederland voorstaan, wanneer de Nederlandse belangen in Europees verband behartigd zullen worden terwijl figuur en structuur ontbreken. Een zwakke figuur en een sterke structuur is tenminste nog wat.

De Nederlandse bezwaren - zij zijn inderdaad zeer Nederlands - tegen de figuur van een regeringsleider zijn bekend: deze past niet in ons politieke bestel van coalitiekabinetten. Wat moeten we in Nederland met een leider? Welke privileges moet een tweede coalitiepartner wel krijgen bij een kabinetsformatie, wanneer de grootste regeringspartij een zo invloedrijke premier mag leveren? En dit alles met het oog op een Europese Raad die toch al zo sterk lijdt aan een democratisch deficit? Hoe kunnen de bredere armslag van een regeringsleider en parlementaire controle met elkaar verenigd worden? De expertise van de departementen, vooral van BZ zal te weinig worden benut; het departement van Algemene Zaken is onvoldoende uitgerust voor deze veel bredere taak, enz. enz.

Naast deze steekhoudende en schijnargumenten staan er natuurlijk ook nog heel wat zwaar wegende belangen op het spel van onder meer die instellingen en personen die de besluitvorming in handen hebben over juist deze kwestie: wat blijft er over van de departementen oude stijl met al hun ambtenaren, wat blijft er over van het coalitie-karakter van een kabinet wanneer een premier zo'n geprononceerde positie gaat innemen? Hoe worden de ministeriële verantwoordelijkheden en bevoegdheden nog afgeperkt, ook ten opzichte van het parlement? De kans dat er spoedig drastische voorstellen zullen komen, is dus betrekkelijk gering.

Maar al de opgesomde problemen moeten en kunnen worden opgelost, wanneer kabinet en Kamers eindelijk maar eens de politieke wil opbrengen om dit vraagstuk de prioriteit te geven die het verdient. Een eerste vereiste is dat men in Den Haag inziet dat Nederland nu constitutioneel niet adequaat uitgerust is voor het nieuwe steeds ingewikkelder Europese spel dat begonnen is met het verdwijnen van de deling van Europa en daarmee van Duitsland. Kabinet en Kamers schijnen dit nog steeds niet te zien en blijven hameren op het democratisch tekort, maar zien daarbij het eigen tekort over het hoofd.

Europa is na 1989 onbestendiger en daardoor onvoorspelbaarder, onbeheersbaarder en zeker niet direct veiliger geworden. West-Europa had tot voor enige jaren geen boodschap aan de landen van Oost-Europa. We worden nu zeer en op zeer directe wijze geconfronteerd met de problemen van dat zolang onderdrukte en arme deel van Europa. Er zullen nieuwe leden in de Gemeenschap komen, er zullen weer wisselende clubs binnen de EG ontstaan en ook weer verdwijnen, ad hoc coalities voor verschillende politieke kwesties met snel wisselende prioriteiten van de diverse partners, omdat er zoveel tegelijkertijd moet worden aangepast. Daarom kan men niet meer zo zeker zijn van enige tijd terug nog door partners gegeven beloftes. Het is niet alleen van minister Genscher dat gezegd wordt dat hij zich wel twee keer bedenkt voordat hij niets zegt, het spel is aanzienlijk onoverzichtelijker en grilliger geworden met meer onverwachte wendingen.

Het gaat niet alleen om een Europa van verschillende snelheden, maar het gaat er ook om dat op het ene terrein nog wel vooruitgang qua integratie wordt geboekt, zij het in een beperkte kerngroep van de Gemeenschap, terwijl op andere terreinen het maximum aan integratie bereikt schijn te zijn. Het integratieproces zelf krijgt steeds meer een gespleten karakter door de grote verschillen qua graad van integratie tussen de onderscheiden beleidsgebieden. Dat gespleten geheel wordt gemakshalve met de term Unie aangeduid.

Het verschil tussen groot en klein, tussen machtig en minder sterk zal nog minder omfloerst tot uitdrukking komen dan het tot nu toe al zichtbaar was, ook al moet eraan toegevoegd worden dat er zelden een eensgezindheid der groten zal ontstaan. Onbeheersbare conflicten als Joegoslavië die een sterk centrifugale werking uitoefenen op de Gemeenschap, zullen in aantal toenemen. Tussen haakjes moet de vraag gesteld worden: hoe denkt Buitenlandse Zaken zichzelf überhaupt in de toekomst beweeglijker te maken ter aanpassing aan de veel grotere beweeglijkheid, zelfs grilligheid van de Europese politiek? Maandag 30 september is niet af te doen als een incident. Heeft men voor crises in het grotere Europa wel eens gedacht aan teams van politieke crisisexperts met kennis van zaken van een specifieke regio, zodat men beter voorbereid is op overrompelende ontwikkelingen à la Joegoslavië? Onder meer een ambassadeur uit Parijs weghalen op een moment dat hij daar meer dan genoeg werk heeft, kan toch niet de oplossing zijn in de toekomst, hoeveel goed werk de betreffende ambassadeur ook in onmogelijke omstandigheden gedaan heeft.

Wat ongetwijfeld zal blijven, waarschijnlijk juist wanneer de stagnatie nog duidelijker zal worden, is de lippendienst aan Europa: retoriek waarachter zich weinig op integratie gericht politiek gedrag verschuilt. Maar daarachter wordt in de diverse Europese arena's een politiek van keiharde nationale belangenbehartiging bedreven. Wil men daaruit niet alleen onbeschadigd, maar ook nog met successen naar Den Haag terugkeren, dan moet de Nederlandse hoogste vertegenwoordiger zich thuis wel in de beste uitrusting hebben kunnen steken. Parlement en kabinet moeten hem die zo spoedig mogelijk verschaffen. Waar blijven de voorstellen?