Voorbarige angst voor tweede Iran

De winst die het Algerijnse FIS (het Islamitische Reddingsfront) bij de in 1990 en 1991 gehouden verkiezingen heeft behaald, heeft in de Westerse pers aanleiding gegeven tot angstaanjagende berichten. Een tweede Iran zou aan het ontstaan zijn en de prille democratie in Algerije zou binnenkort in de kiem worden gesmoord door deze fundamentalistische beweging.

Naar mijn overtuiging is de angst voor een tweede Iran echter voorbarig en zeker niet gerechtvaardigd omdat de twee landen en de betrokken religieuze bewegingen op een aantal punten heel wezenlijk van elkaar verschillen. In de eerste plaats is Algerije wat betreft de religieuze gezindte islamitisch soennitisch in tegenstelling tot het islamitisch sji'itische Iran. Laatstgenoemde stroming kent een hiërarchische organisatie van de religieuze élite en is gebaseerd op de absolute macht en onfeilbaarheid van de imam, de religieuze leider. In de soennitische islam en dus ook in Algerije, ontbreekt een dergelijke religieuze macht en daarmee ook het charismatisch leiderschap van iemand als de Ayatollah Khomeini die het volk op religieuze gronden massaal kon mobiliseren.

In de tweede plaats - en in tegenstelling tot wat in Iran is gebeurd - heeft het FIS in Algerije niet via een revolutie of gewelddadige acties maar via democratische verkiezingen de zege behaald. Een politieke strijd die gevoerd is via legitieme middelen als oppositie en propaganda tegen het FLN (het Nationale Bevrijdingsfront). Dit front is sinds de onafhankelijkheid van dat land in 1962 tot nog toe onafgebroken als enige partij aan de macht geweest onder leiding van de presidenten Ben Bella, Boumedienne en Benjadid. De FLN heeft haar legitimiteit ontleend aan de strijd in de jaren vijftig tegen de Franse overheersing. Een volksbeweging die steeds meer een instrument werd van de élite die met behulp van het leger de belangen van de bevoorrechte groep in de samenleving diende. Hoewel het FLN van Algerije een Arabisch-islamitische staat heeft willen maken, bleef zij inspiratie putten uit het socialisme. Het was onder meer te wijten aan het FIS en de oktoberopstanden van 1988 waarbij honderden slachtoffers zijn gevallen, dat Algerije nu het meest democratische land in de Arabische wereld genoemd kan worden. In de laatste twee jaar, is de grondwet gewijzigd, zijn politieke partijen toegestaan en is de pers-censuur afgeschaft. Aan de verkiezingen in 1991 hebben dan ook voor het eerst circa veertig partijen deelgenomen. De overwinning van het FIS is in eerste instantie niet een keuze van de Algerijnse kiezer voor de islam als zodanig maar veeleer een afwijzing van het FLN omdat dit front de afgelopen drie decennia geen economische veranderingen teweeg heeft kunnen brengen en er niet in slaagde de levensstandaard van de modale Algerijn te verbeteren.

Een andere factor die het ontstaan van een dictatoriale theocratie in Algerije onwaarschijnlijk maakt, is de verscheidenheid van meningen van de FIS-leiders en -aanhang omtrent bij voorbeeld de verenigbaarheid van democratie met de beginselen van de islam. Binnen deze partij vindt men de drie stromingen die ook in de andere landen van de islamitische wereld bestaan terug. De eerste stroming, die als modernistisch kan worden getypeerd en waaronder leiders als Al-madani te vinden zijn, gaat ervan uit dat democratie in geen enkel opzicht op gespannen voet staat met de islam. Zij refereren in dit verband naar islamitische concepten als de shura (raadpleging), de ijtihad (de onafhankelijke redenering of zelfstudie) en de ijnma' (consensus). De tweede, veelal conservatieve stroming huldigt de gedachte dat de ideologie die ervan uitgaat dat macht bij de meerderheid van het volk moeten berusten, onverenigbaar is met de islam. De FIS-leider Benhadj behoort tot deze stroming. De macht dient volgens hem namelijk in eerste en in laatste instantie te berusten bij de sharia ( de islamitische wetgeving met de koran en de soenna - de daden en gezegden van de profeet, als voornaamste bronnen) en deze kan eenvoudigweg niet door een meerderheid van stemmen worden gewijzigd. Een derde stroming die het midden probeert te houden tussen de beide genoemde uitersten, presenteert een alternatieve vorm van democratie namelijk die van de theodemocratie. Deze stroming gaat ervan uit dat wanneer democratie de absolute macht van het volk zou betekenen, dit in strijd is met de islam. Beschouwt men democratie echter als een beperkte vorm van volksmacht die gebaseerd is op de wetten van de islam, dan staat deze geenszins op gespannen voet daarmee.

Door deze verscheidenheid aan meningen is het FIS als het ware een religieuze coalitie waardoor het voeren van een extreem beleid naar welke kant dan ook, onwaarschijnlijk lijkt. De contacten met en de ervaringen van andere islamitische landen, aangevuld met de sociaal-economische realiteit van het land, zullen het FIS dwingen een pragmatische en geen dogmatische politieke koers te varen. Het FIS heeft uitgebreide contacten met traditionele regimes zoals dat van Saoedi-Arabië dat hen ook financieel en moreel steunt. De leuze waarmee de verschillende leiders van het FIS de verkiezingen zijn ingegaan beschouw ik als niet meer dan verkiezingsleuzen die als het erop aan komt niet gerealiseerd zullen kunnen worden.

Het aftreden van de president, het annuleren van de verkiezingen en de inmenging van het leger geven duidelijk aan dat de prille democratische gedachte nog niet voldoende is verinnerlijkt in de samenleving. De angst voor de macht van het FIS was overtrokken. Het was nog maar de vraag of bij een eventuele tweede verkiezingsronde het FIS een even éclatante overwinning zou hebben behaald. De veertig procent die niet aan de afgelopen verkiezingen heeft deelgenomen, behoort waarschijnlijk tot de seculiere sector van de samenleving en is wegens gebrek aan vertrouwen in beide grote partijen niet naar de stembus gekomen.

Met het voorgaande heb ik willen laten zien dat een premature angst voor het ontstaan van een theocratische dictatuur in Algerije overdreven is. De politieke ontwikkelingen van de laatste drie jaar kunnen het best worden gezien als een uniek experiment in de democratisering van de Arabische wereld. Het zou meer van rationaliteit getuigen wanneer dit experiment "het voordeel van de twijfel' zou krijgen en in het bijzonder van het Westen. Laatstgenoemde heeft in het verleden geen problemen gehad met hervormingsideologieën in de Arabische wereld, als nationalisme en socialisme die kenmerkend waren voor de periode 1950-1980, omdat deze ideologieën van Westerse oorsprong zijn. De emotionele reactie van het westen op het islamisme wordt mijns inziens echter met name veroorzaakt door gebrek aan kennis van en eeuwenoude stereotiepen en vooroordelen ten opzichte van de islam.

Door interne en mogelijk ook externe druk is het experiment in Algerije mislukt waardoor de democratie in dat land terug is naar af. De regeringen in de omringende landen kunnen nu weer rustig ademhalen. Of dit ook voor de Algerijnen geldt valt te betwijfelen. De laatste ontwikkelingen in Algerije betekenen mijns inziens een verlies voor de democratie en hiermee een verlies voor het Algerijnse volk.