Start eerste grote mestverwerkingsfabriek; Nog onzekerheid over afzet van gedroogde mestkorrels

HELMOND, 16 JAN. “Het gaat op het ogenblik met de mestverwerking niet naar wens. Het aantal initiatieven blijkt onvoldoende om de doelstelling, dat wil zeggen verwerking in 1995 van 6 miljoen ton drijfmest, te halen. Bovendien bestaat er nog onduidelijkheid over de vraag of de Europese Commissie de door Nederland beoogde financieringsopzet zal goedkeuren, waardoor men terughoudend is met investeringen.” Dat zei de minister van landbouw drs. P. Bukman gisteren in Helmond.

Hij maakte daar - in een vage mestlucht, afkomstig uit de opslagtanks van de proeffabriek en gekleed in een smetteloos witte jas die hygiëne en "high tech' moest symboliseren - een begin met de bouw van de eerste grootschalige mestverwerkingsfabriek van Promest B.V., die 90 miljoen gulden gaat kosten en in 1993 uit 600.000 ton varkensdrijfmest via een droogproces 75.000 ton mestkorrels zal maken.

Volgens Bukman bestaat er nog te veel onzekerheid over de vraag of er voor de mestkorrels voldoende afzetmogelijkheden zijn. “Als je geen koopkrachtige markt weet te vinden, dan zal de hele industriële mestverwerking nog mislukken ook.” De minister zei bereid te zijn om voortgezet marktonderzoek financieel te ondersteunen.

De proeffabriek van Promest, die al enkele jaren draait, levert de totale produktie van 4.000 ton korrels aan boeren in Portugal en Spanje. Een Portugese boer betaalt voor een ton korrels tussen de 350 en 400 gulden. Ter vergelijking: een ton kunstmest kost hem al naar gelang de samenstelling tussen de 500 en 700 gulden.

De opbrengst van de korrels af-fabriek voor Promest is volgens directeur Hilberts 150 gulden per ton. Rekent men dit bedrag terug naar de natte mest die door de boeren wordt aangevoerd, dan is de opbrengst 20 gulden, tegen een kostprijs van 45 gulden per ton verwerkte natte mest. Het gat van 25 gulden wordt gedicht door de prijs die de veehouder per ton aangeleverde mest aan Promest moet betalen (10 gulden) en door een fonds, dat wordt gevuld met gelden uit de bestemmingsheffing, die alle boeren in mestoverschotgebieden tezamen moeten gaan opbrengen.

Voorzitter ir. A. Latijnhouwers van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB), die met 15 procent deelneemt in Promest (50 procent komt van de banken en 35 procent van de rijksoverheid), pleitte gisteren voor de oprichting van een centraal verkoopbureau.

Bukman liet er geen twijfel over bestaan dat industriële mestverwerking, naast maatregelen op de individuele bedrijven om het mestoverschot te beteugelen en naast de distributie via de Mestbank naar mesttekortgebieden in Nederland, een onontkoombare zaak is. “Daarom zal er nog harder aan de zaak getrokken moeten worden ter voorkoming van draconische maatregelen in een later stadium”, zei Bukman, zinspelend op inkrimping van de veestapel.

Volgens Bukman wordt op dit moment het doel van het beleid, verkleining van de produktie van fosfaat die in de mest zit en bij een overdaad schadelijk is voor het milieu, niet gehaald. Tussen 1985 en 1989 was er weliswaar sprake van een dalende lijn, maar in 1990 steeg de fosfaatproduktie weer met 4.000 ton tot 215.000 ton en volgens Bukman zal 1991 “helaas nog hoger uitkomen.” Voornaamste oorzaak daarvan is de toeneming van het aantal vleesrunderen, die na de invoering in 1985 van de superheffing op teveel geproduceerde melk in de plaats zijn gekomen van melkkoeien.

Op het ogenblik bestaan ongeveer 20 initiatieven voor de industriële verwerking van drijfmest tot korrels. Volgens NCB-voorzitter Latijnhouwers overlapt een aantal van die initiatieven elkaar. “Anderzijds”, zo moest hij toegeven, “is er sprake van een trage voortgang in de realisering van deze initiatieven”. Hiervan moet volgens hem de schuld ten dele ook bij het landbouwbedrijfsleven zelf worden gezocht, “want men kwam pas in actie nadat met inkrimping van de veestapel werd gedreigd.”

In de nabije toekomst zal in Zuid-Nederland, waar het mestoverschot het grootst is, nog een viertal fabrieken worden gevestigd. Volgens Hilberts van Promest zullen die tezamen goed zijn voor de verwerking in 1995 van 1,8 miljoen ton mest. Hilberts meent dat marktverkenning in opdracht van het ministerie van landbouw heeft aangetoond dat er buiten Nederland een potentiële markt is voor 1 tot 1,5 miljoen ton korrels. Die markt zit volgens hem voornamelijk in de landen rondom de Middellandse Zee.

Volgens Hilberts is grootschalige mestverwerking in 1995 haalbaar, “maar dan moeten er wel voldoende locaties voor de bouw van de fabrieken worden gevonden en moet het vergunningenbeleid geen roet in het eten gooien.” Latijnhouwers zei dat zonodig de rijksoverheid dwingend bouwplaatsen moet aanwijzen.

Tegen de bouw van mestfabrieken bestaan nogal wat ruimtelijke- en milieubezwaren. Promest zelf, zo bleek gisteren, vindt op zijn weg een comité van bewoners van de Helmondse wijk Brouwhuis, die binnen een afstand van 700 meter van de fabriek ligt. Voorzitter M. Verhoeven van het comité, die als gast bij Promest aanwezig was, kondigde aan dat het comité tegen de bouw van de nieuwe fabriek tot bij de Kroon zal procederen, omdat de locatie volgens hem te dicht bij een woongebied ligt.