Spaarlamp

Het gemiddelde elektriciteitsverbruik van het Nederlandse huishouden ligt vandaag wat lager dan het historisch maximum van 1979 maar de laatste jaren neemt het gestaag toe. Daar komt bij dat het "gemiddelde huishouden' uit steeds minder personen bestaat: in 1950 telde het 4,5 gezinsleden, tegenwoordig maar 2,5. Dat is de vermaledijde gezinsverdunning. Gerekend per hoofd van de bevolking is het elektriciteitsverbruik nog nooit zo hoog geweest.

Toch is het elektriciteits-verbruik van de meeste huishoudelijke apparatuur de laatste jaren schitterend gedaald. Het probleem is dat de consument steeds méér van die zuinige apparatuur zijn huis in haalt. En er is een fataal psychologisch effect in werking getreden dat grote overeenkomsten vertoont met een zelfde effect op het gebied van verkeersveiligheid. Omdat men energie-zuinige lampen heeft gemonteerd laat men die lampen langer branden. Het is een ontmoedigende cirkelgang, waarvan op zijn best valt te zeggen dat de werkelijk welwillende consument zich er nog aan kan onttrekken.

Moeilijker heeft die consument het als hij bij de aanschaf van noodzakelijke elektrische apparatuur voor de afweging staat of hij daarbij alleen de gevolgen voor "zijn portemonnee' of ook die voor elektriciteitsproduktie of milieubelasting de doorslag laat geven. En of hij wat die laatste twee betreft het gebruik van de apparatuur in ogenschouw neemt, of dat hij de gehele produktcyclus in rekening brengt. Dan komt hij binnen de kortste keren voor een rekenarij te staan die zo ingewikkeld is dat hem elke lust tot milieubewust investeren vergaat.

De "spaarlampen' zijn daarvan een schoolvoorbeeld aan het worden. Ongeveer een kwart van het huishoudelijk elektriciteitsverbruik gaat naar de verlichting, en gemiddeld heeft het huishouden een kleine 25 lampen in gebruik. Het merendeel daarvan bestaat nog steeds uit gloeilampen. De energiebedrijven zouden graag zien dat dat spaarlampen werden. Spaarlampen zijn in essentie sterk verkleinde TL-buizen die voorzien zijn van een gloeilampfitting. Per geproduceerde hoeveelheid licht verbruiken ze minder stroom (meer lumen per watt) dan gloeilampen, ze gaan veel langer mee maar ze zijn aan de dure kant: al gauw een gulden of 25.

Ze zijn "vriendelijk voor de portemonnee', dat staat vast. Maar wat richten de spaarlampen in het milieu aan? Grote onzekerheid overvalt de consument als hij zich realiseert dat hij mèt een versleten spaarlamp ook meestal de onversleten voorschakelapparatuur (in hoofdzaak de "ballast' die in de lampvoet is opgenomen) in de vuilnisbak werpt, of beter nog: naar het depot voor klein chemisch afval brengt. Wat moet zijn keuze zijn als hij de totale emissies naar het milieu wenst te minimaliseren? Dat is uitgezocht door het Rotterdamse Communicatie En Adviesbureau over energie en milieu (CEA) dat de resultaten in april 1989 publiceerde. Een lijvige, maar zeer interessante vergelijking met als frappante uitkomst dat men maar het beste natrium-lampen of TL-buizen kan aanbrengen. Voor de huiskamer hebben inderdaad spaarlampen, vooral die van het SL-type in milieu-opzicht de voorkeur (Wat tamelijk verrassend is, omdat juist de PL-spaarlamp lamp en ballast gescheiden houdt).

Toch hoort men de laatste tijd steeds hardnekkiger beweren dat de spaarlampen juist niet in de huiskamer thuishoren. Dat geluid komt van rekenaars die zich volledig in de energetische aspecten van de spaarlamp vastbijten. Zij zijn tot het inzicht gekomen dat gloeilampen, met heel hun hoge energieverbruik, "s winters een aantrekkelijke bijdrage leveren in de verwarming van de huiskamer. Wat de spaarlamp aan kilowatturen bespaart moet de HR-ketel extra bijleveren. Theoretisch heeft men gelijk, zegt de VEEN (verzamelde distributiebedrijven) in een reactie maar in het gemiddelde huishouden zet het absoluut geen zoden aan de dijk. Waar overigens weer aan kan worden toegevoegd dat niet iedereen gemiddeld leeft in een gemiddelde huiskamer.

Totale verwarring slaat toe bij de consument als hij leest dat een belangrijk deel van het lage energieverbruik van spaarlampen (en trouwens ook van TL-lampen) zijn verklaring vindt in het feit dat de elektriciteits-meter (de kilowattuur-meter) er simpelweg niet in slaagt zijn verbruik aan kilowatturen correct te meten. (Omdat de "ballast' als inductiespoel een faseverschil aanbrengt tussen spanning en stroom). (Zie New Scientist, 13 april 1991) 't Is al een heel oud gegeven, een leuk voordeeltje voor de consument dat jammergenoeg verloren gaat in de allernieuwste spaarlampen die een elektronische voorschakeling bezitten.