Semmelweis pepert ons onze domkopperij humorloos in

Voorstelling: Semmelweis van Gerben Hellinga. regie: Peter de Baan. Spel: Stefan de Walle en Lou Landré. Viool: Milenka Dzekova. Decor/ kostuums: André Joosten. Muziek: Paul Prenen. Gezien: 15/1 Schouwburg Rotterdam. Aldaar t/m 18/1, daarna tournee.

De Hongaarse arts Ignaz Semmelweis is vooral bekend geworden uit methodologie-boeken: zijn ontdekking in de vorige eeuw van de oorzaak van kraamvrouwenkoorts, wordt aangehaald als een voorbeeld van hoe een hypothese opgesteld en getoetst moet worden. De vrouwen in onze kliniek sterven veel vaker dan die op de vroedvrouwenafdeling: hoe kan dat? Systematisch onderzoekt hij de verschillen, tot hij erachter komt dat artsen die sectie doen, daarna kraamvrouwen onderzoeken. Het lijkegif zit nog aan hun handen en daarmee besmetten ze de vrouwen. Ze moeten voortaan hun handen wassen met een chloorzoutoplossing.

In Semmelweis van Gerben Hellinga, waarin deze geschiedenis verteld wordt, wordt de ondernemende dokter juist regelmatig "onwetenschappelijk' genoemd. Zijn tegenstander dokter Klein, geneesheer-directeur van het Weense ziekenhuis waar beiden werken, wijst heel andere oorzaken voor de sterfte aan. Klein is de conservatief die alles wil laten zoals het is, Semmelweis de hardnekkige profeet van het goede.

Het stuk bestaat uit een dialoog tussen deze twee heren, die elkaar tot het eind geen duimbreed toe geven. Ze praten over niets anders dan kraamvrouwenkoorts, mogelijk oorzaken en statistieken. Dat zijn niet zulke opwindende gesprekken, te meer niet omdat er geen enkele twijfel bestaat over wie er gelijk heeft. Wie Semmelweis voor de tiende keer hoort roepen: ze moeten gewoon hun handen wassen, kan moeilijk een lichte ergernis onderdrukken. We weten het nu wel en wisten het trouwens al lang voor het stuk begon.

Regisseur Peter de Baan heeft de saaie tekst wat willen opfleuren door te kiezen voor een kluchtige opvoering. De twee spelers zijn overdreven uitgedost met geblankette gezichten, woest besmeurde doktersjassen, hoge boorden en raar haar en bewegen zich als clowns over het toneel waarop in een fraai geometrisch patroon stapeltjes beddegoed liggen. Geregeld gaan ze elkaar te lijf, waarbij Semmelweis een voorkeur heeft voor de houding van een schermer die op het punt staat aan te vallen en Klein graag met kussens mept. Hoe de acteurs ook hun best doen, en dat doen ze, het is bij deze flauwiteiten moeilijk om herinneringen aan schooltoneel te onderdrukken.

Van tijd tot tijd loopt er verder nog een violiste over het toneel die eruit ziet als een opgejaagde geest en steeds met grote ogen naar Semmelweis kijkt terwijl zij hem bestookt met haar klanken. Wie is zij? De rest van de wereld? De stervende vrouwen? Ze valt volledig uit de toon bij de twee quasi-komische heren.

De boodschap van het stuk wordt door Semmelweis op een gegeven moment duidelijk uitgesproken: “Het lijkt wel of er een innerlijke domkop in de mens zit die alles wat goed voor ons is afwijst.” Wij zijn allemaal een dokter Klein die zich verzet tegen nieuwlichterij. Wij hebben ook geen zin om onze handen te wassen, wat in de hedendaagse contekst wel net zoiets zal zijn als geen zin om de biobak te gebruiken. Tsja. Zo zijn we. Maar waarom moeten we dat zo nadrukkelijk en humorloos ingepeperd krijgen?