Pleidooi voor meer samenwerking in Benelux

BRUSSEL/DEN HAAG, 16 JAN. “De Benelux wordt in de verdediging gedrukt. We moeten ons steeds bewijzen”, zegt B. Hennekam, secretaris-generaal van de Benelux. In de Brusselse Regentschapsstraat wapperen de driekleuren van de drie lidstaten aan het hoofdkwartier van de Benelux, maar ze vallen in het niet bij het vlagvertoon van de Europese Gemeenschap enkele straten verder. In de "Euroforie' van de afgelopen jaren lijkt de Benelux op het eerste gezicht overbodig. “Wij krijgen steeds de vraag: wat betekent de Benelux in het Europa van 1992, wat kunnen jullie nog doen?”

Volgens Hennekam is de rol van de Benelux na 1992 niet uitgespeeld. Vaak was de Benelux de proeftuin voor Europese experimenten, vaak stond de organisatie model voor de Europese integratie. In 1960 ontstond er in de Benelux een vrij verkeer van personen, het akkoord van Schengen breidt deze verworvenheid uit over een groot deel van het continent. Grenscontrole is er dan alleen nog aan de buitengrenzen. De Benelux vormt één douanegebied sinds 1971, de EG wil dit bereiken aan het eind van dit jaar. De Benelux voerde in 1983 het "Enig Document' in om de grensformaliteiten voor het vrachtvervoer eenvoudiger te maken, de EG volgde in 1989.

“De EG heeft de Benelux weliswaar ingehaald op diverse terreinen maar niet overbodig gemaakt”, meent Hennekam. “We staan in de schaduw van de EG. We zijn minder spectaculair. Maar het gevolg van meer Europa is dat er meer Benelux moet komen. Naarmate Europa groter wordt, moet de Benelux de krachten van kleine landen bundelen.”

De kleine lidstaten komen bij gekwalificeerde besluitvorming in de EG steeds meer in een minderheidspositie terecht. “De EG heeft zijn eigen dynamiek. De kleintjes moeten niet in een gespreide slagorde staan, want het principe van verdeel-en-heers wordt sterker als de EG groter wordt.”

Hennekam heeft zijn recht van initiatief benut om met de Benelux een terrein te betreden waar het formeel geen bevoegdheid heeft: de buitenlandse politiek. De Benelux moet, zo meent hij, meer samenwerken bij het vestigen van ambassades in de jonge staten van Oost-Europa. Er is al een zekere vorm van diplomatieke samenwerking, vaak vertegenwoordigen Nederland of België Luxemburg. Er is vooral veel consulaire samenwerking want de Benelux-landen hebben een gemeenschappelijk visumbeleid, een doel dat de EG nog moet realiseren. Maar de gemeenschappelijke ambassades ontbreken. “Er is een politieke klik nodig, het besef dat we samen één lijn moeten trekken.”

Het is uitgesloten dat Nederland en België eigen ambassades in alle nieuwe staten kunnen financieren. Nederland zal wellicht een ambassade in de Oekraïne openen, België streeft naar gezamenlijke EG-ambassades. Volgens Hennekam biedt een Benelux-combinatie voor Nederland, België en Luxemburg een uitkomst als een gezamenlijke ambassade van de twaalf EG-lidstaten niet lukt.

De Benelux is inmiddels begonnen met zijn Ostpolitik. De drie Visegrád-landen (Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije) willen nauwer samenwerken voordat ze samen naar "Europa' komen. “Deze landen hebben al delegaties gestuurd om de Benelux-expertise te bestuderen op het gebied van grensformaliteiten, fiscale afspraken en vervoersovereenkomsten. Ze hoeven niet opnieuw het wiel uit te vinden.” De Visegrád-landen zullen stagiaires bij de Benelux plaatsen. Ook met de drie Baltische staten komt samenwerking op gang. “De Benelux stond model voor de EG, en staat nu model voor integratie van het zo versplinterde Oost-Europa. De Benelux heeft een toegevoegde waarde: we kunnen iets bieden wat andere niet hebben.”

Daarvoor is steun nodig van de Benelux-lidstaten, en die ontbreekt nogal eens. Vooral Nederland beperkt zich tot het bewijzen van lippendiensten. In de praktijk blijft Nederland afstandelijk in de veronderstelling dat de Benelux in een winterslaap verzinkt. Economische belangen zouden niet parallel lopen, zo is vaak te horen in politieke kringen in Den Haag. “Het enige dat de drie landen bindt is dat ze klein zijn”, aldus een waarnemer. Luxemburg, zo wordt gezegd, klampt zich vast aan zijn fiscale uitzonderingspositie, en België is verstrikt in zijn Waals-Vlaamse perikelen. Nederland zou beter profiteren van wisselende meerderheden in de EG, of aanleunen tegen Duitsland, het sterkste EG-land. Voor Benelux-samenwerking zou alleen op ad hoc-basis ruimte zijn, als het uitkomt. De Nederlandse overschilligheid komt volgens Hennekam voort uit een misplaatste zelfoverschatting. “Nederland denkt zich altijd met de groten te kunnen meten. Maar Nederland moet instrumenten zoeken bij zijn politiek, en de Benelux is er één van.”

De Belgische minister van buitenlandse zaken, M. Eyskens, ziet de Nederlandse onverschilligheid als het “gedrag van een verweerde zeemogendheid”. Hij vindt de Benelux nu meer nodig dan ooit. “Nu zeggen Bonn, Londen of Parijs: laat de kleintjes tot mij komen. Er is in de EG een directorium ontstaan van de grote landen, zij sluiten akkoorden achter de schermen. Het directorium krijgt meer macht naarmate de EG groter wordt.”

Maar het Waals-Vlaamse conflict gaat niet ongemerkt aan de Benelux voorbij. België zit in een transformatieproces, het verandert van een unitaire naar een (con)federale staat. Steeds meer middelen en bevoegdheden verschuiven naar het Vlaamse en Waalse gewest, en bij sommige Benelux-vergaderingen zitten soms drie Belgische ambtenaren: een Vlaming, een Waal en een federale Belg. Kan de Benelux nog wel bestaan als België niet meer bestaat?

“België zal als staat wel blijven. Maar Vlaanderen zal steeds meer de partner van Nederland worden, België steeds minder”, aldus Eyskens. Vooral de Walen staan ambivalent tegenover de Benelux. Zij zien deze als Nederlandstalig bolwerk dat de Vlamingen goed van pas komt. “We moeten de Walen vragen: wat wilt u? Als zij niets voelen voor de Benelux kunnen zij op afstand meedoen. Zij kunnen dan aanschuiven bij een onderwerp dat Waalse zaken raakt. Je krijgt een Benelux à la carte, en je zult de interne regels moeten veranderen. Maar de Walen kunnen niet zonder Benelux: kijk alleen eens naar de ligging van Luik.”

Voor Eyskens heeft de Benelux toekomst. “We zijn de vierde handelsmacht, en in de EG hebben wij een groter stemgewicht dan dat van een grote lidstaat. We moeten niet lijden aan een minderwaardigheidscomplex.” België toonde ook een "Benelux-reflex' op 30 september, toen een Nederlands plan voor een Politieke Unie in Brussel van tafel werd geveegd. Op deze "zwarte maandag' was België de enige EG-lidstaat die Nederland steunde. “Ik was inhoudelijk voor het Nederlandse voorstel, maar de positie van Nederland was volstrekt kansloos door een tijdelijke coalitie van tegenkrachten. Toch wilde ik Nederland niet laten vallen, uit Benelux-oogpunt en uit sympathie voor Van den Broek.”

Eyskens ziet Nederlands-Vlaamse samenwerking als motor van de Benelux, maar ook op dit terrein heersen oude kwalen. Er is niet alleen een taalgrens in België, maar ook een "cultuurgrens' tussen Nederland en Vlaanderen. Deze scheiding wordt zichtbaar in de Nederlandse Taalunie, die werd opgericht in 1980 om een gemeenschappelijk beleid inzake taal en letteren te voeren. De Taalunie levert een litanie van frustraties op. Algemeen secretaris O. de Wandel klaagt over de “restrictieve houding” van Nederland. Regelmatig plaatsen de Nederlandse ministers Ritzen (onderwijs) en D'Ancona (WVC) hun Vlaamse collega's voor “voldongen feiten”. De Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren - het belangrijkste adviesorgaan van de Taalunie - hekelde diverse keren “eenzijdig optreden” van Ritzen: bij het staatsexamen voor allochtonen en het idee om Engels als voertaal op Nederlandse universiteiten in te voeren. Minister D'Ancona riep enkele jaren geleden de woede van Vlaamse politici op toen ze door een ambtenaar van WVC liet verklaren dat er tussen Nederland en Vlaanderen geen cultuurgemeenschap is. Er is volgens haar een taalgemeenschap. Op conferenties over de Nederlandse taal en cultuur laten beide bewindslieden nogal eens verstek gaan, of komen slechts na zware politiek druk. Nadien moet de politieke schade weer met mooie woorden worden gerepareerd. “Ritzen heeft beperkte ideeën over de Taalunie”, aldus De Wandel.

Oud-ambassadeur voor internationale culturele samenwerking, M. Mourik, wijst meteen de diepere oorzaken aan voor de “allerbelabberdste situatie waarin de Taalunie verkeert”. Volgens hem bestaat er onder Nederlandse ambtenaren en politici een dédain voor België. “Ambtenaren hebben geen enkele interesse voor België en bewindslieden gooien er met de pet naar”, aldus Mourik die in kringen van WVC te boek staat als “een hardnekkige provocateur”. Dat etiket deert hem niet. “Er wordt onder ambtenaren altijd gezegd: met die Belgen kun je niet samenwerken, die hebben hun eigen cultuurtje. Nederland verschool zich altijd achter de Vlaams-Waalse perikelen. Maar nu deze verhouding zich steeds meer uitkristalliseert, zijn er evenmin gedachten. Nederland heeft geen visie bij de Benelux en de Taalunie. Dat komt voort uit misplaatste arrogantie, uit de illusie dat Nederland de zaken wel even voor zichzelf kan regelen.”