Onderwijsverzorging

Het openingscitaat van het interview (W&O 12 dec.) met prof.dr. F. W. Rutten, voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, die onlangs advies uitbracht over de Wet op de Onderwijsverzorging, typeert de optiek van waaruit de Raad zijn object bekeken heeft: ""De stukken van het ministerie van onderwijs staan tegenwoordig bol van woorden als autonomie, deregulering en de zelfstandige school.

Als je dat ziet, moet je je toch achter je oren krabben en zeggen: nou, dan kunnen we de onderwijsverzorging ook maar het beste dereguleren. Dat is tenminste consequent.''

Consequent is het inderdaad; en het beste bovendien als je er zeker van bent dat waar de stukken tegenwoordig bol van staan meer is dan een tijdelijke waan. Als je daaraan twijfelt komen de zaken wat anders te liggen.

Welnu, ik meen dat er redenen zijn om te twijfelen. Een daarvan is het historische gegeven dat in de jaren zeventig - en dat is eigenlijk nog maar kort geleden - de overheid en de politieke meerderheid waar zij toen op steunde even overtuigd waren van de juistheid van een constructief onderwijsbeleid als zij nu lijken te zijn van de noodzaak dat los te laten.

Weinigen zullen bestrijden dat er de voorbije decennia sprake is geweest van overregulering, van knellende staatsbemoeienis met diverse onderdelen van de samenleving. Dat we daar intussen forse kanttekeningen bij zijn gaan plaatsen, heeft mijns inziens evenwel minder te maken met een toegenomen liberalisering van ons politieke denken dan met de tegenvallende effecten en de exorbitante kosten van die bemoeienis.

Merkwaardig genoeg zijn dat echter niet de criteria op grond waarvan de WRR prolongatie van de WOV ontraadt. Voor hem zijn maatgevend: de ideologische opvattingen die thans opgeld doen. Niet aan haar maatschappelijke rendement is de waarde van de WOV afgemeten maar aan haar dereguleringsgehalte. Met andere woorden: zij is nogal nadrukkelijk beoordeeld vanuit een actuele politieke preoccupatie, die in een vrij recent verleden irrelevant, ja misschien zelfs onwenselijk werd gevonden en waarvan wellicht over vijftien jaar wederom de betrekkelijkheid zal worden benadrukt.

Mijns inziens zouden daarom juist andere zaken - zoals prijs, kwaliteit en effectiviteit - de belangrijkste criteria moeten zijn waarmee de waarde van het instituut "onderwijsverzorging' gemeten wordt. Zou, om de waarde van de WOV te beoordelen, vooral bekeken moeten worden of de doelstellingen die ermee beoogd werden, in voldoende mate zijn bereikt; en of er enige waarschijnlijkheid is dat die ook nog bereikt zullen worden na afschaffing van de wet.

Conclusie: voordat de Wet op de Onderwijsverzorging in de afvalemmer wordt gedeponeerd moet er nog eens goed nagedacht worden over de vraag, wat er precies wordt weggegooid: alleen het badwater van de overregulering of misschien ook het kind van de schoolspecifieke, longitudinale en betaalbare onderwijsbegeleiding?