Nieuwjaarsrede

Wie een nieuwjaarsrede voor zijn personeel houdt wil daar natuurlijk een boodschap in leggen. Zo ook mr. C. van Lookeren Campagne, voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit Twente. De kern van zijn boodschap werd in W&O (9 jan.) vastgelegd in drie uitspraken.

De eerste uitspraak is: ""Wetenschappelijk personeel waarvan niet wordt verwacht dat het geschikt zal zijn om hoogleraar of hoofddocent te worden moet vertrekken''. De vraag vraag is wat er moet gebeuren met hen die wel geschikt zijn, maar voor wie er geen vacature is.

Dat een grotere doorstroming van het wetenschappelijk personeel (inclusief hoogleraren) aan de universiteiten gewenst zou zijn lijdt geen twijfel. Tijdelijke aanstellingen kunnen daartoe een middel zijn, maar zijn alleen dan te rechtvaardigen als ook de werknemer er zijn positie mee verbetert. Bij een tijdelijke aanstelling als Twaio of promovendus is dat duidelijk het geval. Echter, van iemands inzet en werkkracht profiteren van zijn 25e tot zijn 35e jaar en dan constateren dat hij op moet stappen is niet eerlijk: zijn marktwaarde zal in die 10 jaar zijn teruggelopen. Wie dit risico zou willen nemen is niet goed wijs.

De tweede uitspraak is: ""Universiteiten zouden moeten afspreken eigen medewerkers nooit aan de eigen universiteit tot hoogleraar te benoemen''. Deze uitspraak zal veel weerstand oproepen bij het eigen personeel. Het aanbod van gekwalificeerde gegadigden voor een leerstoel aan welke universiteit dan ook overtreft in aantal vrijwel steeds de schaarse vacatures. Die vacatures zullen bovendien niet altijd regelmatig in de tijd gespreid zijn. Universitaire medewerkers moeten het idee kunnen koesteren dat een vacante leerstoel te allen tijde toe zal komen aan de beste kandidaat, ongeacht geloof, huidskleur, geslacht of huidige werkgever!

Zijn derde uitspraak is echter de topper als het om demotiverende werking gaat. ""Creatieve en talentvolle mensen moeten worden afgewezen ter wille van medewerkers bij wie de vlam van de wetenschappelijke creativiteit op de spaarbrander staat, maar die wel recht hebben op een voortgang van hun carrière tot ook zij 65 zijn en met pensioen kunnen''. Er wordt hier een beeld opgeroepen van het zittende personeel dat niet overeen stemt met de werkelijkheid. De universiteit zou vandaag de dag niet kunnen bestaan zonder de inzet van talloze leden van het wetenschappelijk personeel.

De voorzitter van het College van Bestuur zou de werksfeer op de universiteit meer bevorderd hebben met het uitspreken van zijn waardering voor het feit dat er door zovelen nog steeds met zoveel inzet gewerkt wordt, dit ondanks de regelmatig weerkerende pogingen tot demotivatie. De nog vers in het geheugen liggende en ronduit beschamende gang van zaken rond de overgang van het wetenschappelijk medewerkersstelsel op het universitair-docentenstelsel spande tot nu toe de kroon, maar deze nieuwjaarsrede komt een heel eind in dezelfde richting.