Minister Ritzen over de resultaten van de NRC Handelsblad onderwijsenquête; "Ik had niet verwacht dat men zo cynisch was over het beleid'

Dat het oordeel in de enquête van NRC Handelsblad over het overheidsbeleid niet op een daverend applaus zou uitlopen, had dr.ir. J.M.M. Ritzen wel verwacht. Maar dat de minister van onderwijs bij de vragen "Overheidsbeleid grillig?' en"Overheidsbeleid belangrijkste oorzaak van werkdruk?' 80 procent "mee eens' aan zijn broek zou krijgen, was toch wel een beetje schrikken.

""Ik had niet verwacht dat het cynisme zo groot zou zijn'', reageert hij in zijn werkkamer in Zoetermeer. ""De instinctieve reactie is: wat van het ministerie komt, deugt niet. Als de uitslagen aan het eind van deze kabinetsperiode nog steeds tachtig procent bedragen dan is ons beleid om de vertrouwensband met het onderwijs te herstellen, mislukt.''

Maar niet alleen het overheidsbeleid, ook de schaalvergroting, de basisvorming, een nieuwe inrichting van de bovenbouw van het voortgezet onderwijs en het allochtonenbeleid leverden geen gejuich op. Daarbij zegt de minister te ""schrikken van de openhartigheid'' waarmee ouders (90 procent) zeggen hun kinderen niet naar scholen met veel allochtonen te willen sturen. ""Uit geen enkel onderzoek blijkt dat dat slechte scholen zijn. Dat vooroordeel moet dus bestreden worden door meer voorlichting in de regio's. We hebben immers niet gekozen voor integratie met schoolbussen, zoals in de Verenigde Staten, omdat daar veel nadelen aan kleven. Maar dan moeten alle ouders wel meehelpen aan de integratie.''

Cognitieve dissonantie

Ritzen zou geen minister met wiskundig bloed in de aderen zijn als hij ter relativering van de kritiek op het overheidsbeleid niet enkele "onderzoekstechnische' kanttekeningen zou plaatsen. ""Ten eerste is er het probleem van de cognitieve dissonantie: als er was gevraagd welke problemen de overheid moet oplossen en hoe dat moet gebeuren, waren er waarschijnlijk inconsistente antwoorden gekomen. Ik zou ook graag willen doorvragen: is het het beleid zelf of de stapeling van beleid die tot problemen leidt?''

Daarnaast denkt de bewindsman dat een deel van de antwoorden is ingegeven door "sociale wenselijkheid'. Ritzen: ""Dat kan te maken hebben met een meer algemeen anti-overheidsgevoel, dat je ook in andere landen ziet. De burger staat nogal dubbelhartig tegenover de overheid. Enerzijds stelt hij er hoge eisen aan, maar zodra die eisen worden ingewilligd verwijt hij de overheid beleid te voeren dat tot extra werkdruk leidt.''

Ook bij de uitkomsten betreffende de basisvorming - waarbij Ritzen met genoegen noteert dat er wel redelijke steun bestaat voor de nieuwe vakken techniek en informatica - en de schaalvergroting zet de bewindsman de nodige vraagtekens. Hoe valt bijvoorbeeld met elkaar te rijmen dat enerzijds meer dan 40 procent van de deelnemers vindt dat het Nederlands onderwijsstelsel nog steeds selecteert naar sociale herkomst, terwijl anderzijds de brede scholengemeenschappen en uitstel van schoolkeuze als remedie daartegen worden afgewezen? Weet men dan een betere oplossing dan de overheid, vraagt Ritzen zich af. En wat de schaalvergroting betreft: tot welke prijs willen de deelnemers de kleine, relatief dure scholen handhaven?

Maar de minister wil niet flauw doen. Hoewel hij de deelnemersgroep, met name door haar opleidingsniveau, onrepresentatief noemt, vindt hij de resultaten van de enquête waardevol. De uitkomsten sterken hem in een al langer bestaand voornemen om onderzoek te verrichten naar het beeld dat leraren van het onderwijsbeleid hebben. De uitkomsten van de enquête van NRC Handelsblad kunnen volgens Ritzen helpen de vragen in dat onderzoek scherper te formuleren.

Ten tweede concludeert Ritzen uit de cijfers dat het beleid (nog) beter moet worden uitgelegd. ""Die verantwoording gebeurde al in de directe gesprekken met het veld die we bij de schaalvergroting in het basisonderwijs hebben gevoerd. Ook moeten we doorgaan met de convenanten, die hebben geleid tot meer vertrouwen van de onderwijsorganisaties in het beleid, en het uitleggen in schriftelijke stukken wat de effecten van beleid voor betrokkenen zijn.'' Maar minder beleid hoeft er volgens hem niet te worden gevoerd.

Luidruchtig "Neen'

Deze conclusies gaan anderen lang niet ver genoeg. Drs. S. Boef-van der Meulen, wetenschappelijk medewerkster bij de sectie onderwijs van het Sociaal en Cultureel Planbureau en lid van de nieuw gevormde Adviesraad voor het Onderwijs, en drs. A. Nuis, onderwijsspecialist in de Tweede Kamer voor D66 - de partij die de meeste stemmen onder de deelnemers trok - nemen het luidruchtig "neen' tegen het onderwijsbeleid hoog op.

Natuurlijk is het oordeel dat dit overheidsbeleid de belangrijkste oorzaak van werkdruk in het onderwijs zou zijn ""onzinnig'', zegt Boef. ""Het meeste van wat men beleid noemt blijft bij plannen en wordt nooit werkelijkheid''. Bovendien bleek enkele jaren geleden juist uit een grootscheeps onderzoek onder 17.000 leraren dat veranderend gedrag van leerlingen en problemen thuis de belangrijkste oorzaak voor werkdruk in het onderwijs vormden.

Toch concludeert Boef dat het beeld van het onderwijsbeleid hoog nodig aan revisie toe is. Daartoe moet volgens haar de voorbereiding van beleid korter worden en de berichtgeving duidelijker. Boef: ""Al die adviezen en meningen van bijvoorbeeld de adviesraden en de CCOO, de concept-notities en voorontwerpen van wet, werken heel verwarrend. De lengte van deze trajecten maakt dat menig betrokkene het spoor bijster raakt. Ook bij het lanceren en weer laten vallen van ideeën bij middenschool en basisvorming hebben veel mensen afgehaakt.''

Nuis wil gaan knippen in ""de knoedel van Zoetermeerse ambtenaren en koepelofficials''. Die wordt volgens hem onder meer gevormd door de talrijke procesmanagements die de laatste jaren als paddestoelen uit de grond zijn geschoten, bijvoorbeeld om de basisvorming en het samengaan van gewoon en speciaal onderwijs (Weer Samen naar School) van de grond te tillen.

""De coalitie van CDA en PvdA versterkt die ontwikkeling'', aldus Nuis. ""De koepelwereld van het CDA hand in hand met de neiging van de PvdA om alles centraal te willen regelen.''

Daarnaast zouden bewindslieden volgens Nuis ook beter de "vergiftigende' bij-effecten moeten incalculeren die bepaalde "politieke taktiekjes' hebben. Als voorbeeld van dit laatste noemt hij de discussie over schaalvergroting in het basisonderwijs. Die begon Wallage anderhalf jaar geleden met het veel onrust zaaiende voorstel van een adviesgroep om basisscholen minimaal 250 leerlingen te laten tellen. Ze eindigde met het compromis tussen Wallage en de onderwijsorganisaties om de schoolgrootte te relateren aan de verhouding tussen de oppervlakte van een gemeente en het daar aanwezige aantal leerlingen. Wallage had zijn politieke buit binnen, maar in de schoolklas was men allang afgehaakt, aldus Nuis. ""De mensen in het onderwijs voelen niet meer dat dat een discussie over hen is.''

Lustig meeknoedelt

Dat het parlement regelmatig lustig meeknoedelt en bijdraagt aan politiek jojo-spel, zoals onlangs nog bij de basisvorming, wil Nuis best toegeven. ""Natuurlijk zou de Kamer zich minder met details kunnen bemoeien, maar dan raakt ze wel haar greep kwijt op bijvoorbeeld die procesmanagements van Weer Samen naar School. Er wordt nu al zoveel geritseld.''

Bovendien bevalt het eindresultaat van de discussie over de basisvorming Nuis wel en voelt hij zich geenzins uit het veld geslagen door de kritische houding van zijn electoraat in de enquête. ""De wet biedt scholen een maximum aan mogelijkheden en een minimum aan verplichtingen. Daardoor kunnen verschillende groepen leerlingen verschillende oplossingen geboden worden. 14 procent in de enquête is voor brede scholengemeenschappen. Op een dergelijk percentage van het totale scholenbestand kan het in de praktijk ook best uitdraaien. Uitslagen van dit soort enquêtes werken niet als een stemming in de Tweede Kamer, waar wie 51 procent van de stemmen krijgt, gelijk heeft.''

Prof.dr. J.M.G. Leune, zelf veelvuldig onderwijsadviseur van Ritzen en Wallage en vanaf 1 juli de nieuwe voorzitter van de Onderwijsraad, toont zich het minst van alle vier onder de indruk van de afkeer van Zoetermeerse wispelturigheden. ""Dat is de prijs die je betaalt voor een open besluitvormingsproces en het bestaan van allerlei pressiegroepen'', concludeert de Rotterdamse onderwijssocioloog. Bovendien: het aantal adviesorganen is in de loop der jaren al flink teruggebracht, al is de kakofonie van signalen gebleven.

Ook de grilligheid van het beleid zelf valt volgens Leune nogal mee. ""Het voortgezet onderwijs functioneert tot op heden met een wet die in 1963 is aangenomen. En de schaalvergrotingsgedachte leeft al sinds de jaren zeventig en heeft vorm gekregen met diverse grote operaties, zoals TVC en STC in het hoger onderwijs en SVM in het middelbaar beroepsonderwijs. Er worden op dit punt gemakkelijk spookbeelden geconstrueerd. Als historici straks terugkijken, zullen ze meer continuïteit in wetgeving en wetgevingspogingen ontdekken dan de mensen nu zien.''

Inconsistenties

Ook van de negatieve oordelen in de enquête over onderwerpen als de kwaliteit van de basisschool moet de minister zich niet te veel aantrekken, vindt Leune. ""In de enquête zitten nogal wat inconsistenties. Die komen voor een deel voort uit mispercepties - dat men gewoon niet weet hoe het onderwijs in elkaar zit. Ten tweede zie je in zo'n enquête het bombardement aan rivaliserende verwachtingen terugkeren waaraan het onderwijs altijd blootstaat en soms bezwijkt.''

Een ""fraai voorbeeld van zo'n inconsistentie'' is volgens Leune het oordeel in de enquête over de basisschool. ""Men is enerzijds bezorgd dat het basisonderwijs zijn fundamentale taken zoals lees- en schrijfonderwijs niet waarmaakt, terwijl anderzijds maar liefst 37 procent plezier op school belangrijker vindt dan kennis opdoen. Dat is best, maar dan moet je niet met het kankerverhaal komen dat de basisschool zijn basics niet waarmaakt, wat overigens volgens allerlei onderzoek niet eens waar is.''

Uit de zogeheten periodieke peilingen van het lees- en schrijfonderwijs blijkt dat 10 tot 15 procent van alle leerlingen de gestelde onderwijsdoelen bij lezen en schrijven niet haalt. ""Nog steeds een flink getal, maar minder dramatisch dan in deze enquête lijkt'', aldus Leune.

Minder kritisch is Leune over de steun die de uitslag van de enquête aan sommige delen van het onderwijsbeleid geeft. Dat geldt met name het streven om de invloed van de gemeente op het openbaar onderwijs terug te brengen, regulier en speciaal onderwijs te integreren en de scholen te verplichten jaarlijks een openbaar jaarverslag te publiceren. In het bijzonder de bereidheid van zo'n 40 procent van de ouders om voor goed onderwijs te betalen noemen Leune en SCP-medewerker Boef een verrassende uitkomst.

Leune: ""Dat zal Ritzen goed doen, want zijn vraag bij die lesgeldverhoging van een paar maanden geleden was immers: waarom zouden mensen wel extra geld over hebben voor een tweede huis of een wintersportvakantie, maar niet voor goed onderwijs''.

Boef: ""De vraag in de enquête of je een school wilt waarvoor je geen eigen bijdrage hoeft te betalen, of een school waar die bijdrage 600 gulden bedraagt, is natuurlijk op zichzelf genomen idioot. Als 32% in het basisonderwijs en 45% in het voortgezet onderwijs zelf wil bijdragen, is dat niet niks, gezien alle geklaag over belastingen en heffingen. Kennelijk denkt men daarbij aan beter of exclusiever onderwijs.''

Ook het streven van de twee bewindslieden van onderwijs om een nieuw elan in het beroep van leraar te brengen, begint aan te slaan, zo constateren de twee onderzoekers en minister Ritzen zelf. Aanwijzingen daarvoor in de enquête vinden ze de reacties van leraren op de vragen of het werk uitdagend is (71% mee eens), of men prestatiebeloning wenst (50% voor) en of de school een taak heeft bij huiswerkbegeleiding na schooltijd (60%) en bij het terugdringen van alcoholmisbruik (62%).

Huiswerkbegeleiding

Boef had bij de vraag over de huiswerkbegeleiding een verschil tussen ouders en leerkrachten verwacht, maar dat is er nauwelijks. ""Dat pleit voor de leraren die zich niet van extra taken laten weerhouden'' zegt ze. ""Het betekent ook dat de stem van de leraren via de vakorganisaties veel afwijzender klinkt dan via zo'n enquête.''

Ook Ritzen ziet een verschil tussen de uitslagen van de enquête en de standpunten van de onderwijsbonden. ""Net als bij de visie op het beleid, waarover de organisaties veel tevredener zijn dan de leraren zelf, zie je ook bij de prestatiebeloning een verschil in standpunt'', aldus de bewindsman. Ook ziet Ritzen een verschil met het tobberig beeld dat de laatste jaren van het onderwijs is ontstaan. ""Kennelijk ziet het onderwijs in dat het zich niet eeuwig aan de eigen benen het moeras in moet blijven trekken''.

Leune spreekt, wat voorzichtiger, van een "versplinterd beeld' van de leraar. ""Aan de ene kant vinden leraren hun werkdruk vergroot en zou 37 procent meteen uit het onderwijs stappen als men een baan daarbuiten kreeg aangeboden. Dat duidt op een zekere malaise-stemming. Aan de andere kant zijn er ook tekenen van een nieuw professioneel elan. De leraar beseft dat hij het appel dat de samenleving op hem doet als spil van het onderwijs, positief tegemoet moet treden.''