Lubbers had Oost-Europa meer beloofd; Hulp moet geen weggevertje zijn, want eigenbelang mag ook meetellen

De ontwikkelingen in Midden- en Oost-Europa hebben zich het afgelopen jaar verder versneld. Er is in toenemende mate sprake van een streven naar een marktconforme economie en aansluiting bij de gedragsregels en gebruiken die ook in het Westen gelden. Maar ook wordt steeds duidelijker met welke pijn deze overgang gepaard gaat. De complexiteit en starheid van het systeem veroorzaken een gecombineerd effect van economische verslechtering en toenemende sociale onrust. West-Europa kan het zich niet permitteren de rol van toeschouwer aan te nemen. Het uitblijven van successen op het gebied van de economische hervorming ondermijnt de sociale en politieke stabiliteit. Het Westen zal zich voor het vergroten hiervan actief met Midden- en Oost-Europa moeten bemoeien.

Naast deze defensieve redenen zijn er echter ook gronden die zich baseren op de uitbouw van een strategisch eigenbelang. In een toekomstige wereld met drie economische machtsblokken, de Verenigde Staten, Japan en West-Europa vormen Midden- en Oost-Europa het natuurlijk achterland van West-Europa. De economische ontwikkeling van dit gebied zal een belangrijke bijdrage leveren aan Westeuropese groei. Dit betekent automatisch dat het voor ons belangrijker is om hulp te bieden aan Oost-Europa (of nog liever: te investeren in de ontwikkeling van Oost-Europa) dan dat dit zou gelden voor Japanners of Amerikanen.

De afgelopen jaren is de hulpverlening voor Midden- en Oost-Europa op gang gekomen en verder ontwikkeld. Het Nederlands aandeel daarin groeide van krap eenentwintig miljoen gulden in 1989 tot tweehonderd miljoen gulden in 1991; een vertienvoudiging in drie jaar tijd. Gegeven de ernst en omvang van de problematiek in Midden- en Oost-Europa kan men terecht stellen dat onze bijdrage relatief bescheiden is. Die bescheidenheid klemt temeer nu de ontwikkelingen in de voormalige Sovjet-Unie aanleiding geven om op korte termijn ook invulling te geven aan contacten met individuele republieken.

Het wordt tijd dat de belofte die minister-president Lubbers deed tijdens de Algemene politieke beschouwingen, om het hele Oost-Europahulpbeleid te herzien, gezien de totale buitenlanduitgaven (defensie, EG, ontwikkelingssamenwerking) wordt ingwilligd en tot verhoging van het hulpbudget leidt.

Voor de hulp aan de voormalige Sovjet-Republieken zou moeten worden gestreefd naar een zekere evenredigheid met de bilaterale hulp voor de overige Oost-Europese landen zonder dat leidt tot korting van hun hulpverleningsprogramma. Wel zou tussen de verschillende republieken gedifferentieerd mogen worden naar de mate waarin zij het economisch achterland van Nederland vormen. Hoezeer wij echter ook uitdrukking willen geven aan ons gevoel van betrokkenheid bij de problemen in Midden- en Oost-Europa, het investeren van grote bedragen in de economieën van deze landen biedt op zichzelf maar weinig uitzicht op vooruitgang als niet tegelijkertijd geïnvesteerd wordt in mentale hervorming.

Ook zou de inzet van het hulpbeleid meer gericht moeten zijn op de afbouw van de centrale regelgeving en ordening onder gelijktijdige versterking van de positie van het individu. Maar bovenal zouden de Midden- en Oosteuropese landen veel directer kunnen worden geholpen als onze grenzen voor hun produkten worden opengesteld. Onderzoek wijst uit dat dit - meer nog dan miljardenhulp - de grootste impuls zou betekenen voor de ontwikkeling van de Oosteuropese economie.

Het is wenselijk om aan een eventuele intensivering van het Nederlandse hulpbeleid een bredere analyse van de merites van dit hulpbeleid vooraf te laten gaan. Er moet niet alleen worden gedacht over de intensiteit en dosering van de instrumenten maar vooral ook over de hulp die Nederland het beste zou kunnen bieden. Op het geboden raamwerk van multilaterale instellingen kan Nederland inspelen met overdracht van goederen en kennis waarin wij over specifieke expertise beschikken.

De voedselproduktie, de infrastructuur, het milieu en de energie zijn terreinen waarop de Nederlandse know how mondiaal op hoog niveau staat en additioneel iets te bieden heeft. Maar ook spelen er belangen op handelspolitiek terrein. Bilaterale hulp biedt het Nederlandse bedrijfsleven ook de kans om samenwerkingsverbanden op te bouwen en de exportmogelijkheden af te tasten. Hulp, voorzover geen noodhulp, is immers niet bedoeld als een "weggevertje' maar politiek gebonden door enerzijds te appelleren aan de verbetering van de democratie en de bevordering van de veiligheid en door anderzijds te werken uit welbegrepen eigenbelang aan de verbetering van de economie en de handelsmogelijkheden. Een combinatie van doelstellingen die in wisselwerking tot elkaar staan.

Het tot nu toe bereikte resultaat bij de hervormingen in Midden- en Oost-Europa is, vooral dankzij de inspanningen van de betrokken landen in combinatie met de opgang gekomen hulpverlening uit het Westen, bemoedigend te noemen. De indruk bestaat echter dat uit de vele potjes van EG, de Wereldbank, het IMF en andere multilaterale instellingen voornamelijk geput is om de moed er bij de bevolking voor de voortdurende hervormingen in te houden. Daarom is vnl. gekozen voor de overdracht van op consumptie gerichte goederen. Voornamelijk "direct-effect-sorterende-hulp' dus en daardoor ook maar werkend voor de korte-termijn.

Analyse van de behoefte van de Midden- en Oosteuropese landen maakt duidelijk dat naast hulp "van bovenaf' (zoals grootschalige voedselhulp, hulp bij de introductie van Westerse wetgevings- en bestuursstructuur, technologieoverdracht, enzovoorts) hulp "van onderop', los van de bestaande (staats)structuren zeer dringend gewenst is. Het tot wasdom brengen van het vrije ondernemerschap biedt de beste garantie dat de omvorming naar een markteconomie ook ingebed raakt aan de basis. Het is wenselijk dat de hulp zo wordt ingericht dat de omslag van het "verplicht gemeenschappelijke' naar het "individueel verantwoordelijke' de pure gerichtheid op bezitsvorming en materialisme inperkt en er ook sociaal-maatschappelijke banden ontstaan.

Het Nederlandse hulpprogramma zou daarop nadrukkelijker moeten aansturen. Dit kan door de aangeboden projecten meer in te richten op betrokkenheid van instellingen en organisaties (waaronder de kerken) die mogelijk zelfs ook financieel hun bijdrage kunnen (en willen) leveren. De ontwikkeling van een instrument, dat aan de behoefte van risicokapitaal ten behoeve van investeringen in Midden- en Oost-Europa tegemoet komt, zou daarnaast van grote betekenis zijn.

Door staatssecretaris Van Rooy, verantwoordelijk voor de hulpverlening aan Midden- en Oost-Europa, is de waarde van de opzet van een dergelijk instrument ook onderschreven. Immers het gevaar, dat een snelle voortgang van de samenwerking met deze landen bedreigt, is dat ondernemingen die technologie en kapitaal kunnen bieden afwachten tot er structurele veranderingen in bestuur en wetgeving komen ervan uitgaand dat de huidige marktrisico's groter zijn dan men bereid is te accepteren. Minister-president Lubbers wees hier onlangs nog eens expliciet op. Mennes, directeur van het FMO, wees daarnaast op de merkwaardige paradox dat de nieuwe Oosteuropese banken zich risicomijdend opstellen en vooral staatsbedrijven financieren.

Een andere gedachte, die nieuwe ontwikkelingen van onderop kan steunen verdient evenzeer overweging. In Midden- en Oost-Europa inclusief het vroegere Sovjet-gebied, bestaan wel degelijk processen die tot een nieuwe economische structuur leiden. Sinds het begin van de hervormingen zijn in totaal al ruim vier miljoen nieuwe ondernemingen opgericht. In Estland (tien procent van de Nederlandse bevolking) waren dat twee maanden na het uitroepen van de onafhankelijkheid al meer dan honderd per week. Veel van deze bedrijfjes komen echter niet tot wasdom door gebrek aan kennis en middelen. Omdat er in heel Oost-Europa nog een schreeuwende behoefte aan economische kleinschaligheid bestaat, is het ook de moeite waard na te gaan of in het kader van het hulpbeleid een startersregeling kan worden ontwikkeld die zich vooral baseert op de hierboven aangehaalde sterke punten uit het Nederlandse aanbodpakket.

De kritiek op het Nederlandse hulpbeleid voor Midden- en Oost-Europa blijft te veel steken in "volumedenken'. Bredere aandacht voor de wijze waarop hulp het beste geboden zou kunnen worden is wenselijk. Door de hulpprojecten meer toe te snijden op betrokkenheid van instellingen en organisaties (kerken) die mogelijk zelfs ook financieel hun bijdrage kunnen (en willen) leveren, kan de huidige afstandelijkheid in het hulpverleningsproces worden verkleind. Met de opzet van een investeringsfaciliteit (een participatiemaatschappij voor Oosteuropese projecten) zou voorts een stevige stimulans gegeven kunnen worden aan de bereidheid van het Nederlandse bedrijfsleven om commerciële risico's aan te gaan. De ontwikkeling van een startersregeling voor Oosteuropese ondernemers tenslotte zou zowel tegemoet komen aan de behoefte van kennis en middelen als aan de ontwikkeling van economische kleinschaligheid ter plaatse.

Het is alleszins de moeite waard om - alvorens over te gaan tot verhoging van het budget - eerst vast te stellen welke hulp Nederland het beste kan bieden in aansluiting op de reeds bestaande activiteiten en programma's. Immers nu al blijft veel hulpverlening steken in cijfermatig "wapengekletter' zonder tot daadwerkelijke uitvoering te komen. Ons gevoel over hulp aan Midden- en Oost-Europa krijgt alleen reële inhoud als het verstand een woordje mee mag spreken.