Japan

Maarten Huygen, correspondent voor NRC Handelsblad in Washington, voegt zich bij het groeiende koor dat Japan beschuldigt van oneerlijke handelspraktijken (NRC Handelsblad, 13 januari).

Een aantal produkten (o.a. rijst) mogen inderdaad niet in Japan worden ingevoerd. Voor industriële produkten - en daar richten Huygen en andere critici zich vooral op - is de Japanse markt echter niet gesloten. Daarover bestaan hardnekkige mythen, die het Engelse weekblad The Economist deze week met de feiten heeft geconfronteerd. Mythe nummer één is dat Japan te weinig invoert. In werkelijkheid is de Japanse invoer per hoofd van de bevolking maar een procent of vijf lager dan de Amerikaanse invoer per hoofd.

De tweede mythe luidt dat Japan hoge invoerbarrières kent. Wat betreft invoertarieven is dat zeker onjuist: het gemiddelde tarief op industrieprodukten is in Japan lager dan in de EG of in de VS. Andere invoerbeperkingen zoals quota's past Japan ongeveer net zo veelvuldig toe als de VS.

Dan is er het verwijt dat de Japanse economische organisatie het voor buitenlandse exporteurs onmogelijk maakt op de Japanse markt door te dringen. Japanse industriële groepen (de Keiretsu) kopen hun inputs inderdaad voor een groot deel binnen de groep. Maar de reden is dat dat het goedkoopst is - en daar is niets protectionistisch aan.

Auto's importeert Japan niet veel en zeker geen Amerikaanse auto's. Maar is dat erg? Niemand neemt het Nederland toch kwalijk dat het zo weinig tulpenbollen importeert? Het antwoord van Huygen is dat belangrijke industrietakken die hoge inkomens genereren niet onder druk van de buitenlandse concurrentie mogen verdwijnen. Maar bedrijven die alleen achter hoge invoerbarrières winst kunnen maken genereren helemaal geen hoge inkomens, althans niet voor de economie als geheel. Elke Amerikaanse baan in de auto-industrie die met invoerbelemmeringen in stand wordt gehouden kost Amerika per jaar meer dan honderdduizend dollar - zesmaal het gemiddelde Amerikaanse jaarloon.