Het korte en gelukkige leven van de Hollandse platenhoes

Hollandse hoezen. Nederlandse pop-platenhoezen, 1956-1991. T/m 26 januari in de Oosterpoort, Groningen. De tentoonstelling zal later in het jaar nog op diverse plaatsen te zien zijn. Voor informatie: Poparchief Nederland. Inl 020-6682255 (tussen 10-17 uur).

Nu de vinyl plaat bijna is vervangen door de cd en dus ook de platenhoes op het punt staat te verdwijnen, heeft de tentoonstelling Hollandse hoezen iets van een requiem. Een lang leven was de platenhoes niet beschoren - vijfendertig jaar duurde het volgens de tentoonstelling, net zolang als dat van Mozart - maar het was zo te zien wel gelukkig. Het begon klein en eenvoudig in 1956 met afbeeldingen van de uitvoerende artiesten en de titel van het liedje op een hoesje. In 1960 was het baby-stadium voorbij: de plaat Always van de Blue Diamonds was weliswaar nog vijf centimeter kleiner dan het uiteindelijke 30-centimeter formaat van de "elpee', maar wordt toch gepresenteerd als de eerste langspeelplaat van de Nederlandse popmuziek. Niet langer volstonden de vormgevers van de hoezen met een gewone foto: The Blue Diamonds werden met met gitaren en al in een Spijker-achtige auto (niet echt een rock 'n' roll-bolide) gepropt en Ria Valk werd in een cowboypak en met een revolver op een paard gezet.

De kleuterjaren duurden tot 1966. De platenmaatschappijen bepaalden het ontwerp van de hoes, de uitvoerende artiesten hadden, zoals het hoort bij kleuters, nog niets te vertellen. Opwindend zijn de hoezen dan ook niet. Op de omhulsels van de eerste beatplaten prijken groepen als Golden Earrings (met een "s' toen nog) en de Maskers in zwart-wit, meer zat er nog niet in.

Echt anders wordt het pas in de jaren 1967-69, wanneer de muzikanten niet alleen hun haar heel lang laten worden, maar ook invloed eisen en krijgen op de vormgeving. Het resultaat zijn de zwierige en kleurige hoezen vol organische vormen en onleesbare letters. Het beste voorbeeld van deze hippievormgeving is de hoes van Picknick van Boudewijn de Groot: een psychedelische variant op het Drosteblik, ontworpen door Simon Posthuma en Marijke Koger, het duo dat ook de Apple-boetiek van de Beatles inrichtte.

De bloei van de Nederlandse popplatenhoes valt in de periode 1970-1976. Van een overheersende stijl, zoals in de jaren '67- '69, is geen sprake meer. Het is de tijd van de dure uitklapbare hoezen. Groepen doen hun best om hun hoezen iets te laten zeggen over hun muziek. De country-folkgroep CCC Inc beeldt een rustieke boerderij af op een beige ondergrond om aan te geven hoe To Our Grandchildren klinkt. Een van de mooiste hoezen op de tentoonstelling is die van Moontan van de Golden Earring: over de lengte van de hele uitklaphoes is een bijna naakte vrouw afgebeeld met enorme verenbossen op haar achterwerk en hoofd.

De jaren 1977-79 staan volgens de tentoonstellingsmakers in het teken van de doe-het-zelf-mentaliteit van de punk. Aan de geselecteerde hoezen uit die tijd is het niet zien: het lijken vooral de gloriedagen van Herman Brood en Gruppo Sportivo, die hun hoezen niet door doe-het-zelvers laten vormgeven. Ook de volgende levensfasen van de platenhoezen, de jaren 1980-84 en 1985-89, zijn onder noemers ("huisvlijt' en "marketingstrategie') gebracht die niet zichtbaar zijn in de tentoongestelde werken.

Natuurlijk is een groot deel van de hoezen, net als de Nederlandse popmuziek zelf, terug te voeren op buitenlandse voorbeelden. Het bureau Cream bij voorbeeld, dat in de jaren zeventig hoezen ontwierp voor Alquin, liet zich duidelijk inspireren door de fotomontages van het Engelse vormgevingsbureau Hipgnosis. Maar er hangen toch ook werken waarbij een Angelsaksische voorganger niet te binnen wil schieten. In één geval lijkt het er zelfs verdacht veel op dat een Nederlands ontwerp als voorbeeld heeft gediend voor een Amerikaans ontwerp. Het kan bijna geen toeval zijn dat de hoes met de vier verwrongen portretfoto's van Remain In Light van de Talking Heads uit 1980 sprekend lijkt op die de Golden-Earringplaat No Promises No Debt van een jaar eerder. Misschien nog het meest "Nederlands' zijn de hoezen van de Nits, die door groepslid en ex-kunstacademiestudent Henk Hofstede zijn vormgegeven. Zijn sobere, heldere vormgeving staat in de Nederlandse modernistische traditie.

De laatste hoes van de tentoonstelling is van de Nederlandse house-groep Quazar (sterretjes aan een zwarte hemel) en vormt een passende afsluiting. Met rap is house immers het enige muziekgenre dat het niet zonder vinyl kan stellen. En juist in de house-muziek blinkt Nederland uit. Misschien kwam het requiem iets te vroeg.