Friesland geeft dieren in natuur de ruimte

LEEUWARDEN, 16 JAN. In Friesland wordt de infrastructuur voor dieren verbeterd. Binnen tien jaar wil het Friese provinciebestuur dat ongeveer 700 kleine natuurgebiedjes van minder dan 50 hectare grootte met elkaar zijn verbonden. Door middel van deze ecologische zones kunnen dieren zich van het ene naar het andere gebied verplaatsen, waardoor de populaties kunnen worden verspreid en vermeerderd. Milieugedeputeerde mr. F. Steijvers hoopt dat de das, de adder en de ringslang via deze zones hun leefgebied binnen tien jaar kunnen vergroten.

Friesland telt ongeveer 1000 kleine natuurgebieden, waarvan het merendeel door de aanleg van wegen, kanalen, verstedelijking, uitbreiding van woonkernen en intensieve landbouw steeds meer versnipperd zijn geraakt. Deze eilandjes met de status "natuur', die vooral op de zandgronden in het oosten en zuidoosten van de provincie, in het laagveen- (De Deelen, de Oude Veenen) en het merengebied liggen, raken door deze door de mens opgeworpen barrières van elkaar geïsoleerd. Hierdoor blijken steeds meer kenmerkende plant- en diersoorten te verdwijnen of uit te sterven. “Dieren kunnen niet van de ene naar de andere biothoop, waardoor de voortplanting in gevaar komt”, zegt Kh. Wesselius, medewerker van de afdeling Landelijk Gebied van de provincie Friesland.

In Friesland is de otter sinds enkele jaren uitgestorven. Maar ook de Zilveren Maan (een vlindersoort) en reptielen als adder en ringslang worden in hun voortbestaan bedreigd. In het plan "Ecologische Verbindingszones' heeft de provincie Friesland een aanzet gegeven om over een oppervlakte van 600 hectare verbindingen tot stand te brengen tussen deze natuurgebieden. Ook zijn de knelpunten voor dieren en natuurgebieden geïnventariseerd en in kaart gebracht.

Friesland blijkt in totaal 140 voor dieren en planten moeilijk te nemen barrières te hebben: wegen en kanalen, maar ook betonnen of stenen doorgangen onder (spoor)bruggen, bruggehoofden, steile oevers langs vaarwegen. Verbindingszones kunnen worden onderscheiden in natte en droge. Natte zones vormen de oevers van rivieren en kanalen, die de vaarweg verbinden met een aaneensluitend moerasgebied. Droge zones betaan uit houtsingels, kleine bosjes en struweel, die bossen en heidevelden met elkaar verbinden.

De provincie wil de bestaande verbindingen de komende jaren behouden en ontwikkelen en de barrières opheffen, onder meer door de aanleg van uittreeplaatsen van wild, de aanleg van dassen- en ottertunnels en van afrasteringen, de markering van hoogspanningskabels (waar jaarlijks tientallen trekvogels tegenaan vliegen) en het aanleggen van vistrappen. Bij de verbreding van het Prinses Margrietkanaal, de belangrijke vaarweg die de provincie in tweeën deelt, zal de betonnen oeverbeschoeiing zoveel mogelijk vervangen worden door een natuurlijke steenstortconstructie. Doel is om de oeverstroken binnen een afstand van vijf meter 'diervriendelijk' te maken door de aanleg van riet en bosjes.

“Zo'n glooiende oever is niet alleen diervriendelijk, maar oogt ook goed. Het landschap wordt verfraaid, wat ook weer positief is voor de toerist en de recreant. Steenstort is bovendien goedkoop in aanleg.” Dieren kunnen via deze "hulpmiddelen' afstanden overbruggen, stelt Wesselius. Als voorbeeld noemt hij de das, die overigens in Friesland in de jaren zestig met succes is uitgezet in Gaasterland, nadat hij door bejaging vrijwel was verdwenen. “Een deel van de dassenpopulatie gaat in het najaar en de winter zwerven om zich te kunnen voortplanten. Daarvoor is voldoende rust en dekking nodig buiten de vertrouwde leefomgeving en moet er bovendien geen kans zijn om te worden overreden of te verdrinken.”

Friesland telt nu drie dassentunnels. Onder diverse bruggehoofden wil de provincie klúnplanken maken voor kleine zoogdieren zoals de hermelijn en de woel- en veldmuis. Deze 30 centimeter lange planken lopen schuin naar het waterniveau en maken met de dieren makkelijker om uit het water op de oever te komen.

Voor de uitvoering van het plan, dat enkele miljoenen guldens kost, is de provincie mede afhankelijk van de waterschappen, natuurbeschermingsorganisaties zoals It Fryske Gea (het Friese Landschap) en subsidie van de rijksoverheid. Voor het creeëren van verbindingen in provinciale (vaar)wegen trekt de provincie jaarlijks 65.000 gulden uit. “Het lijkt weinig”, aldus Wesselius, “maar het is een begin. We hopen dat we er samen met gemeentes en waterschappen de schouders onder kunnen zetten. Samen zijn we verantwoordelijk voor het voortbestaan van dieren. Zij zijn immers van ons afhankelijk.”