Erkenning

DE LIDSTATEN VAN de Europese Gemeenschap maken het zichzelf niet gemakkelijk. De erkenning van Slovenië en Kroatië blijkt een ingewikkeld vraagstuk te zijn geworden dat diplomaten en politici de nodige hoofdbrekens bezorgt. Het probleem is er een gevolg van dat de Gemeenschap in de zaak van de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië met veel interne verdeeldheid te kampen heeft gehad en met heel veel inspanning haar beleid 180 graden heeft moeten bijstellen.

In de zomer van vorig jaar, toen het begin van het Nederlandse voorzitterschap samenviel met een vergeefse poging van Joegoslaviës federale leger om de jeugdige Sloveense onafhankelijkheid ongedaan te maken, koos de Gemeenschap voor de instandhouding van de Joegoslavische federatie. Met haar erkenning nu van de Sloveense en Kroatische soevereiniteit geeft de Gemeenschap toe aanvankelijk de verkeerde toon te hebben aangeslagen. Maar de precisie waarmee Kroatië langs de meetlat van Europese criteria wordt gelegd, moet dat feit weer enigszins verbloemen.

DE RODE DRAAD die zogenaamd de aanpak van de vorige zomer verbindt met de politiek van nu is de zorg voor de minderheden. Van het begin af aan zou dat Europa's voornaamste leidraad zijn geweest. Niet dat Europa zich bijzonder sterk heeft gemaakt voor de Albanezen van Kosovo of de oren heeft gespitst toen de geluiden uit Belgrado in de richting van Kroaten en Slovenen steeds nationalistischer werden, maar nu wil het in ieder geval de kampioen zijn van de Serviërs in de tot voor kort gemengde gebieden van Kroatië. Dat de Kroatische toezeggingen op dat punt slechts van papier kunnen zijn, is macaber genoeg juist het gevolg van het wrede optreden van de federale en Servische strijdkrachten tegen de Kroatische bevolking daar. Van een Kroatische aanwezigheid die de Serviërs zou kunnen schaden is immers geen sprake meer. Wie de Europese politici zo bezig ziet en hoort, wrijft zich de ogen uit.

Het tragische van dit spijkers op laag water zoeken is dat een goede zaak in een kwade reuk komt te staan. Vanzelfsprekend is er alles voor om minderheden van welke samenstelling ook die in de hoek worden gedrongen, in bescherming te nemen. Dat is het dogma dat de paradox van de democratie moet opheffen. Maar de feitelijke toestand in Kroatië is dat hele dorpen en steden zijn ontruimd omdat de Kroatische bevolking, voorzover zij daartoe nog in staat was, voor terreur de wijk heeft genomen. Het zijn die massa's waarvoor de Kroatische regering geen hulp heeft en die door Europa zouden moeten worden bijgestaan. Het lot van de Serviërs in de voormalige gemengde gebieden van Kroatië is niet in het geding. Zij hebben de wapens en het federale leger aan hun kant en straks zijn er de "blauwhelmen' die het bestand moeten verzekeren, een bestand dat als praktisch gevolg heeft, dat de Kroaten hun grondgebied niet kunnen terugveroveren.

DE TOEKOMST dreigt in een impasse vast te lopen. Wat resteert is een soort door Serviërs gedomineerd romp-Joegoslavië - voor een deel bestaande uit republieken die ook hun onafhankelijkheid willen en voor een deel gevormd door van Kroaten gezuiverde Kroatische provincies. In die laatste gebieden moet dan het VN-leger worden gestationeerd, maar dat zal, gezien de houding van lokale leiders, niet zonder slag of stoot gebeuren. Wat de autoriteiten in Servië zelf zien als een voorlopig eerste succes op een lange weg naar een groter Servië, zien plaatselijke Servische aanvoerders als het kapen van hun zege door een internationaal gezelschap waaraan zij geen boodschap hebben.

De Europese interventie heeft voor het Joegoslavische probleem dus allesbehalve een oplossing opgeleverd. De toezegging van de Kroatische president dat in zijn land de Servische minderheid zal worden ontzien, is gezien de werkelijke problemen te weinig om de Europeanen hun gezicht te laten redden.