Dreyer-retrospectief

Carl Theodor Dreyer: het complete oeuvre. 17 t/m 30 januari in het Nederlands Filmmuseum, Vondelpark 3, Amsterdam. Inl 020-5891400.

De komende twee weken wijdt het Nederlands Filmmuseum dagelijks (beh. wo 22 jan) een van haar doeken aan het werk van de Deen Carl Theodor Dreyer (1889-1968). Al zijn films zullen vertoond worden: de negen, inmiddels redelijk bekende, lange speelfilms, maar ook de acht korte documentaires die Dreyer tussen 1942 en 1954 maakte in opdracht van de Deense regering. Niet omdat hij zo graag documentaires wilde maken, maar uit nood, omdat zijn films steeds opnieuw slechte kritieken kregen en hem het ene financiële dêbacle na het andere opleverden. Ik zag er eentje, De naede fargen, uit 1948. Het was bedoeld als Veilig Verkeer-propaganda, maar het is een miniatuur Dreyer-speelfilm: schraal, repetitief, kil-geobsedeerd en bijna tot op het abstracte gedistantieerd; en onder al die berekende afstand stiekem brandend, op het hysterische af. Dreyers films hebben talloze Europese en Amerikaanse cineasten beïnvloed. In dat verband wordt meestal verwezen naar La passion de Jeanne d'Arc (1928) en naar de rol die de vele, angstig nabije close-ups van de lijdende titelheldin (de eerste en laatste rol van Marie Falconetti) spelen. Maar van minstens even groot belang lijkt me de kristalheldere compositie van Dreyers beelden. Hij was een filmkunstenaar die bleef zoeken naar de meest zeggende eenvoud. Dat streven leidde hem tot een geniaal metteur en scène, die zijn taferelen inrichtte alsof hij ze wilde schilderen, waarna zo'n instelling dan tot zijn verbazing zomaar leek te gaan bewegen. Vooral Ordet (1954) en Gertrud (1964) tonen rijpe staaltjes van deze aanpak.