De Sovjetologie is dood, leve de ... ja wat eigenlijk?; Einde van de Ruslandkunde

Nu Oost-Europa weer Centraal-Europa heet en het voormalige Russische imperium uiteen is gevallen, rijst de vraag wat het lot zal zijn van de Oost-Europakunde en de Sovjetologie.

De studie van de Russische geschiedenis, politiek en maatschappij heeft lange tijd gegolden als een tamelijk exotische bezigheid. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd de Ruslandkunde geaccepteerd als een afzonderlijke en volwaardige academische studie. Hieraan lagen gewijzigde politieke verhoudingen en rivaliteit ten grondslag. De Sovjet-Unie had zich in de loop van de strijd tegen Nazi-Duitsland ontwikkeld tot een militaire supermacht, die niet alleen een nieuwe rol op het wereldtoneel opeiste maar zich bovendien ontpopte als een angstaanjagende tegenstrever van het zogeheten vrije Westen.

Zowel de belangstelling voor de Sovjet-Unie als de behoefte aan kennis en geschoolde opinie namen sterk toe, vooral in de Verenigde Staten. De Ruslandkunde als wetenschappelijke discipline verspreidde zich in een rap tempo - van Columbia en Harvard aan de oostkust naar meer dan honderd universiteiten en colleges over geheel Amerika. De Verenigde Staten waren de bakermat en het blijvende middelpunt van de moderne Ruslandkunde, zowel in financieel als in intellectueel opzicht.

De nauwe relatie tussen de Sovjetologie en internationale politieke ontwikkelingen bepaalde echter ook dat op het moment dat de Oost-West tegenstelling aan scherpte verloor (in het begin van de jaren zeventig) de area-studies, waarvan de Sovjetologie de belangrijkste was, inboette aan belangstelling, en aan, zoals het heet, intellectual purpose.

Het uitgangspunt van alle area-studies is de aanspraak op uniciteit. Ze is de bestaansreden van de Rusland- en Oosteuropakunde. Immers, alleen de uniciteit van het onderwerp van onderzoek bepaalt de noodzaak van een aparte academische discipline. Deze aanspraak op uniciteit was terecht. De landen in Oost-Europa en de Sovjet-Unie deelden een groot aantal gemeenschappelijkheden en onderscheidden zich wezenlijk van de overige staten op ons continent. De kern van de uniciteit was echter niet geografisch maar politiek bepaald: het communisme. Met het verdwijnen van het communisme is daarom ook de uniciteit in zekere mate verloren gegaan.

Waarschijnlijkheden

Revoluties zijn "geheimzinnige coïncidenties', schreef György Konrad onlangs. Hij heeft gelijk. Het zou onzinnig zijn de kwaliteit van de Sovjetologie af te meten aan de vaardigheid waarmee ze de toekomst heeft kunnen voorzien - zelfs wanneer diverse beoefenaars van deze wetenschap pretendeerden over een zekere mate van voorspellende bekwaamheid te beschikken. Waar het om gaat is of de Sovjetologie voldoende inzicht heeft getoond in de logica en in de dynamiek van het Sovjet-systeem; of ze de waarschijnlijkheden van de onwaarschijnlijkheden, de mogelijkheden van de onmogelijkheden heeft weten te scheiden; en of ze voldoende begrip heeft gehad van de sociale, economische en politieke omstandigheden die de keuzen van Sovjet-politici en gang der ontwikkelingen bepaalden.

Voorzover Sovjetologen überhaupt een debat hebben gevoerd over deze kwestie, beweegt dat zich voornamelijk op het niveau van, zoals de titel van twee bijdragen aan Encounter (zomer 1990) luidde: "Who was right, who was wrong, & why?'

De simpelste verklaring voor het falen van de Sovjetologen is gegeven door de Russische emigrant Alexander Zinovjev. Hij ging er vanuit dat iemand die niet in de Sovjet-Unie woont of gewoond heeft, niets van het land kan begrijpen. "Degenen in het westen die zichzelf met de Sovjet-Unie bezighouden, zijn geen wetenschapslieden in de ware zin van het woord, en begrijpen er daarom niets van.' En hij voegde daar aan toe: "Ik ben een Sovjet-burger en een wetenschapsman, en ik vlei mijzelf met de gedachte dat ik weet waarover ik spreek. Er is geen enkele reden te veronderstellen dat het Sovjet-systeem er niet zal blijven tot aan het einde van de geschiedenis der mensheid.' Exit Zinovjev.

Vooral de, gemakshalve aangeduid met, "traditionele' Ruslanddeskundigen (waaronder Pipes, Brzezinski en Robert Conquest) staan erop voor altijd de uniciteit, de unieke slechtheid, de onveranderlijkheid en onhervormbaarheid van het Sovjet-systeem te hebben voorzien en zijn uiteindelijke ineenstorting te hebben voorspeld. Ze zien hun gelijk bevestigd in de ontmanteling van de Sovjet-Unie.

Geheel ten onrechte is deze aanspraak niet - het probleem is echter dat hun opvattingen, dominant binnen de Sovjetologie, leden onder een zekere mate van ambivalentie, welke heeft geleid tot een vorm van bedrijfsblindheid. Ze hebben altijd gewezen op de fragiliteit van het Sovjet-systeem, maar ze hebben de bedreiging die van de Sovjet-Unie en het internationale communisme uitging altijd (te) sterk benadrukt. Ze hebben de mogelijkheid van een geleidelijke, vreedzame hervorming van communisme uitgesloten, maar ze hebben de kans op een reformistisch leiderschap (van het type Gorbatsjov) niet voorzien. Ze hebben de kracht en vastberadenheid van de communistische regimes vast te houden aan het vigerende politieke systeem beklemtoond, maar ze hebben de mogelijkheid van een vergaande mate van desillusie van deze leiders, van het verloren gaan van hun "concept of purposiveness' onderschat. Kortom: ze hebben, als ieder ander, geen rekening gehouden met de mogelijkheid van de ineenstorting van het communisme op de wijze zoals die zich uiteindelijk heeft voltrokken.

In algemene zijn lijkt de Sovjetologie in de loop der decennia enigszins besmet te zijn geraakt met de voor haar onderwerp van onderzoek zo kenmerkende stagnatie. Ze is altijd Russocentrisch geweest, gefixeerd op het Kremlin, en op het kleine groepje zelfbenoemde politici dat de touwtjes in handen had. Ruslandkundigen hebben altijd de onveranderlijkheid, de immobiliteit, de stabiliteit en het gebrek aan alternatieven benadrukt. Ze leden aan een vorm van beroepsmatig pessimisme: in 1917 ging niemand ervan uit dat het Bolsjewistisch bewind een lang leven beschoren zou zijn; in 1953 hield vrijwel niemand rekening met de mogelijkheid van een vergaande destalinisering; en in 1985 voorzag geen enkele Sovjetoloog de mogelijkheid dat Gorbatsjov bereid en in staat zou zijn de veranderingen in te zetten die binnen enkele jaren tot de (onbedoelde) ontmanteling van het imperium zouden leiden.

Bordjes verhangen

Business as usual is de overheersende reactie der (voormalige) Sovjetologen op de ingrijpende veranderigen in de Sovjet-Unie en Oost-Europa. Ze blijven hijgend achter de historische ontwikkelingen aanrennen, verbluft door de chaos en anarchie in wat eens de overzichtelijke Pax Sovietica was, en desnoods worden wat bordjes verhangen: universitaire docenten in de Sovjet-politiek blijken plotsklaps Rusland-specialisten te zijn.

Toch zal de ondergang van het communisme de beoefenaren van de Rusland- en Oost-Europakunde dwingen tot een heroriëntatie. De veranderingen van de afgelopen jaren bieden zowel nieuwe kansen als bedreigingen - bedreigingen voor de status, de betekenis en de huidige omvang van de Rusland- en Oost-Europakunde. De gevaren schuilen in dezelfde omstandigheden die het vak hebben grootgemaakt: het unieke karakter van de Ruslandkunde en de nauwe link tussen Ruslandkunde en actuele politiek.

De mogelijkheid om Oost-Europa en de Sovjet-Unie te bestuderen zijn nog nooit zo gunstig geweest als nu. Voor het eerst is informatie beschikbaar, kan vrijelijk worden gereisd, zijn belangrijke archieven toegankelijk, is er volop mogelijkheid van wetenschappelijk debat (juist met Oosteuropeanen), en kunnen politici kritisch worden geïnterviewd. De Ruslandkundige hoeft niet langer tussen de regels door te lezen, of zich door een brei van newspeak en ideologische rimram te werken.

De voormalige communistische staten zijn in een groot aantal opzichten "normaal' geworden. Dit klinkt aantrekkelijk, en dat is het ook (vooral voor degenen die er wonen), maar het heeft belangrijke schaduwzijden voor de Rusland- en Oost- Europakunde.

Het eerste nadeel is de overbodigheid van een deel van de bijzondere kennis van de voormalige Sovjetoloog. Veel vakspecifieke elementen - de planeconomie, het communistische politieke stelsel, het socialistische rechtssysteem, en de rol van de ideologie in binnen- en buitenlandse politiek - zullen snel aan betekenis verliezen.

De "normalisering' ondermijnt bovendien, en dit lijkt van groter belang, een van de bestaansgronden van de Ruslandkunde als afzonderlijke wetenschap: de claim van uniciteit. Natuurlijk, de voormalige communistische staten zullen in een aantal opzichten "uniek' blijven, omdat ze een zelfde of vergelijkbare historische ontwikkeling hebben doorgemaakt. Echter, datgene wat Rusland- of Oost-Europakunde wezenlijk onderscheidde van sommige andere sociale wetenschappen en area-studies zal allengs verdwijnen.

Ideologische kloof

Politieke overwegingen lagen ten grondslag aan de bloei van de Ruslandkunde; politieke overwegingen zouden ook wel eens van invloed kunnen zijn op haar neergang. Met de ondergang van het communisme, het verdwijnen van de traditionele tegenstelling van ideologische kloof tussen Oost en West, en de teloorgang van de supermacht Sovjet-Unie zal de belangstelling voor Rusland en Oost-Europa ongetwijfeld minder worden. Wat de regio in politiek en militair opzicht aan betekenis heeft ingeboet, heeft ze in economisch opzicht nog niet gewonnen.

De veranderingen in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie hebben de traditionele Sovjetologie van haar raison d'être beroofd, maar ze bieden nieuwe, onverwachte mogelijkheden aan de Rusland- en Oost- Europakunde als een area-study. Vooral in de Verenigde Staten, voor wie de Sovjet-Unie in eerste instantie een rivaliserende supermacht op afstand was, zal de Ruslandkunde afnemen in betekenis. De fixatie van de Amerikaanse veiligheidspolitiek op dit deel van de wereld zal verminderen. De behoefte aan geschoolde kennis van de voormalige Sovjet-Unie zal navenant minder worden.

In West-Europa daarentegen zijn de omstandigheden gunstiger voor de opvolging van de Ruslandkunde. Anders dan in de Verenigde Staten zullen in Europa de consequenties van de ontmanteling van het Russische imperium (politieke instabiliteit en sociale en economische crisis) "lijfelijk' merkbaar zijn. West-Europa zal in groeiende mate betrokken raken bij conflicten in wat eens het communistische deel van ons continent was. Dit bevordert de noodzaak van kennis van de regio, of, onder de gewijzigde omstandigheden, van de individuele landen en hun taal, geschiedenis, cultuur, economisch stelsel en politiek systeem.

Het verdwijnen van de Pax Sovietica en van het Russisch als lingua franca maakt het onmogelijk Oost-Europa nog langer vanuit een enkel oriëntatiepunt (het Kremlin) te bestuderen. Russische en Oosteuropese studies vervangen de Sovjetologie - die is geschiedenis geworden, net als de Sovjet-Unie.