De markt is ook niet alles

De centraal geleide economie van de Sovjet-Unie is dood; in China gaat het die kant op. Met het uit elkaar vallen van de Unie van Socialistische Sovjet Republieken (USSR) is het lot bezegeld van een systeem waarbij het centraal gezag de economie van bovenaf stuurde tot in de kleinste details. De vraag wie, wat, waar, wanneer moest produceren werd daarbij opgelost door iedereen, op elk gebied, overal, voortdurend opdrachten te geven. Na 75 jaar onderdrukking, misleiding en bedrog blijkt een ander systeem - de markt - veel betere resultaten op te leveren.

De socialistische aanpak, waarbij een grote sturende rol aan de overheid is toegedacht, blijkt het niet te redden. En niet alleen in de voormalige Sovjet-Unie is men daarover van slag, ook in het Westen, inclusief ons eigen land, zijn de socialistische partijen al een tijdje flink in de war. De PSP is in een groen waas opgegaan en in de PvdA is men het spoor bijster.

Intussen kun je overal lezen dat we de dingen aan de markt moeten overlaten. Dan komt alles goed. De markt: een systeem waarin door de ontmoeting van vraag en aanbod prijzen tot stand komen. Prijzen die een signaal vormen voor alle kopers en verkopers. Worden spruitjes duurder ten opzichte van rode kool dan werkt dat signaal twee kanten op. De consument vraagt minder spruitjes en meer rode kool. De producent vergroot de produktie van spruitjes ten koste van rode kool; hij haalt mensen weg bij de rode kool produktie en zet die aan de spruitjes. Het systeem vindt weer ergens een rustpunt waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn. Tot er nieuwe aanpassingen nodig zijn. Geen werkbonnen, geen dwang; iedereen loopt z'n eigen neus achterna en doet wat het beste is voor z'n eigen portemonnee. De onderlinge concurrentie zorgt ervoor dat dit najagen van het eigenbelang niet tot misstanden leidt. Werkelijk, het is een wondermooi systeem; niemand zal het ontkennen.

Toch mogen er bij het gejuich over "de markt' wel een paar kanttekeningen worden gemaakt. Hij werkt namelijk niet zo perfect als wel eens wordt voorgesteld. Soms laat hij het zelfs helemaal afweten. Vandaar dat er in de moderne industriële samenleving een niet weg te denken plek is voor een corrigerende overheid. En de discussie binnen socialistische en andere partijen zou moeten gaan over de mate waarin die overheid zich met de markt mag en moet bemoeien. Het is niet moeilijk een rijtje feilen van het marktsysteem of marktonvolkomenheden op te sommen. Sommige goederen kun je niet aan de markt overlaten, eenvoudig omdat die er niet is. Goederen zoals defensie, rechtszekerheid, landsbestuur, beveiliging tegen de zee, straatverlichting. Het zijn collectieve goederen: je kunt de gebruiker ervan niet naar de mate van zijn gebruik laten betalen; je kunt ook niemand uitsluiten van het gebruik. Is het produkt er eenmaal dan zullen de mensen het gebruiken zonder ervoor te betalen. Het "freeriders' of zwart-rijders probleem. Dus geen particuliere ondernemer zal er ooit aan beginnen. Alleen een overheid die de burgers kan dwingen een bepaalde hoeveelheid geld af te staan voor dit soort dingen (door belasting te heffen), kan ervoor zorgen dat ze beschikbaar komen. Als je prijzen als signalen gebruikt, is het wel nodig dat die signalen helder en onvervormd overkomen. Helaas zit er nogal eens wat ruis in het prijssignaal. Dat wil zeggen dat de prijs de spanning tussen vraag en aanbod niet goed weergeeft. Varkensvlees en autorijden zouden veel duurder zijn als we alle negatieve maatschappelijke gevolgen van overbemesting en mobiliteit in de koteletten- en de benzine-prijs zouden stoppen. Er is een overheid nodig die via regulerende heffingen de maatschappelijke behoeften in rekening brengt bij de particuliere producent en consument.

Omgekeerd maakt de overheid via het geven van subsidies kunst en sommige soorten onderwijs goedkoper dan de vrije markt ze zou leveren. Kunst en onderwijs hebben een positieve maatschappelijke invloed, die door het marktmechanisme wordt onderschat. De prijzen-van-nu houden nauwelijks rekening met de behoeften in de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. Vragers en aanbieders - en dus de markt - hebben een vrij korte horizon. Zoals al gezegd: ze lopen allemaal hun eigen neus achterna. Er is een overheid nodig om verder te kijken dan die lang is. Niet op alle markten heerst de broodnodige concurrentie die tegen gaat dat (groepjes van) aanbieders een machtspositie krijgen waardoor ze de prijzen naar hun hand kunnen zetten. Er is een overheid nodig die er voor zorgt dat op de markten voldoende competitie bestaat. Er zijn markten waar het aanbod pas met vertraging kan reageren op een verandering van de vraag. Denk aan produktieprocessen in de landbouw en de veeteelt, maar ook bij het onderwijs, waar het maanden of jaren kan duren voordat het aanbod zich heeft aangepast. Bekend is de varkenscyclus, maar ook de aanmaak van tandartsen of ingenieurs kost tijd. Hier laat de markt ons in de kou staan. De prijzen van goederen en diensten moeten in de winkel met geld worden betaald. Je moet dus geld hebben om aan het spel van vraag en aanbod mee te kunnen doen. Zoals we weten heeft de één meer in z'n portemonnee dan de ander; het geld is niet gelijkmatig over de mensen verdeeld. De één kan z'n behoeften dus beter in koopkrachtige vraag omzetten dan de ander. De aanbieders richten zich naar de behoeften van de kopers. Het is aan de overheid om het geld zo over de burgers te verdelen dat er niemand in de knel komt.

Het is goed om deze en dergelijke punten in gedachten te houden als we juichend de prestaties van de markt aanbevelen, thuis en in het Oosten. Het is een prachtmechaniek, maar zeker niet feilloos.