DE DRIE BELANGRIJKSTE PRIJZEN VAN CANNES; Muggen zijn er om plat te meppen

Barton Fink Regie: Joel en Ethan Coen. Met: John Turturro, John Goodman, Judy Davis, Michael Lerner. In Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Groningen, Wageningen.

De jury van het filmfestival van Cannes kende in mei vorig jaar drie grote prijzen toe aan de Amerikaanse film Barton Fink. Naast de Gouden Palm kregen de makers Joel en Ethan Coen de prijs voor de Beste Regie en titelrolspeler John Turturro werd gelauwerd met de Prijs voor de beste Mannelijke Hoofdrol. Vooral de gevestigde Amerikaanse filmindustrie, doorgaans aangeduid als "Hollywood', sprak luid zijn ongenoegen uit. Hollywood had gelijk in zoverre men van jury's een elegante verdeling van de prijzen denkt te mogen verwachten - drie is ongebruikelijk veel voor één film. Verder verraadde Hollywood haar eigen jaloezie, want Hollywood beweert al jaren dat ideeën-films als het onafhankelijk geproduceerde Barton Fink niet gemaakt kunnen worden, omdat er geen geld en geen publiek voor zou zijn. Maar uiteindelijk was Hollywood woest omdat Barton Fink Hollywoods botte zelfgenoegzaamheid op de hak neemt en aan de schandpaal nagelt. Want ook al is het jaartal in Barton Fink 1941, wat de film vertelt is in Hollywood tot op de dag van vandaag van toepassing.

Zo zien we de jonge toneelschrijver Barton Fink (inderdaad een knappe rol van de van iedere behaagzucht gespeende John Turturro) zijn eerste grote Broadway-succes behalen. Hij is een kind van zijn tijd, een idealist die zo'n tien jaar later ongetwijfeld te lijden zal krijgen van Joseph McCarthy's communistenjacht, maar die nu nog kinderlijk stuurs kan doen over het feit dat zijn stuk "over gewone mensen en voor gewone mensen' zo aanslaat bij het wufte Newyorkse theaterpubliek. Zijn faam reikt tot aan de Westkust en hij krijgt een riant aanbod van een filmstudio. Hoewel hij geen idee heeft van de gang van zaken in de film-industrie, gaat hij er op in, om ter plekke de pijnlijke ontdekking te doen dat zijn contract hem horig maakt aan de Hollywoodstudio. Het gaat om zijn bekende naam en waar die voor staat definieert Hollywood.

Van zijn neergang doen de Coens met veel gevoel voor ironie verslag, in een stijl die ze inspireerden op de Amerikaanse film uit de jaren dertig en veertig: poederig licht, zachte kleuren die niet natuurlijk maar wel aannemelijk zijn, weelderige beschaduwde ruimtes. De schrijver is gelijk de mug in zijn gesjochten hotelkamer, die net zo lang mag rondzoemen tot hij wordt platgemept en gebeurt dat dan zijn de gevolgen excessief. Dat zoemen noem ik niet voor niets. Meer dan gebruikelijk spelen geluiden een rol in de sfeerbepaling, een druppende kraan, een piepend bed in een aangrenzende kamer, een vel behang dat langzaam loslaat. Al die geluiden denderen Finks en onze oren binnen en tezamen kondigen ze steeds luider de catastrofe aan.

Kunstenaars als Barton Fink bijten nu al decennia lang in het stof van die Hollywood-valkuil. Hijzelf lijkt gemodelleerd naar de jonge Clifford Odets (een in de jaren veertig revolutie predikend toneelschrijver, rivaal van Arthur Miller en vriend/vijand van Elia Kazan) en een van Finks collega's bij de studio lijkt sprekend op de schrijver William Faulkner. Tot Finks verbijstering krijgt hij geen letter meer op papier: gekoeioneerd, tot op het bot vernederd, intens wanhopig en zonder kans op ontsnappping uit Los Angeles zoekt hij een uitweg in de drank. Faulkner was de enige niet. Brecht onderging dezelfde geestelijke mishandeling en Stravinski moest toezien hoe zijn Sacre du printemps door de Disney-studio aan mootjes werd gehakt ten behoeve van de avondvullende tekenfilm Fantasia. Een Disney-medewerker stuurde een trots memo rond dat de beroemde componist "zichtbaar geroerd' de privé-vertoning van die film verliet. Strawinski was in tranen, ja, maar niet omdat hij Fantasia zo mooi vond. En nog steeds worden er buitenstaanders naar Los Angeles gelokt, waar wordt verwacht dat ze juist nét doen wat hen onderscheidt. Franse films worden opnieuw gemaakt volgens zouteloze Hollywood-maatstaven, subtiele acteurs als de Brit Gary Oldman worden opgeborgen in derderangs thrillers, unieke cineasten als de Ier Neil Jordan krijgen kleurloze scripts toegeschoven.

“Doe wat je wilt, maar geef me het Barton Fink-gevoel,” buldert de typerende Hollywood-mogul. Het even vermakelijke als schokkende beeld van die baas is een ander taboe dat de gebroeders Coen, die ook het script voor Barton Fink schreven, doorbreken. Over extreem vulgaire bullebakken uit de filmgeschiedenis als Jack Warner of Louis B. Mayer wordt in speelfilms altijd nog min of meer vertederd gerept: grote mond, grove taal, slechte manieren, maar uiteindelijk vol liefde voor film. Alleen wie de moeite neemt om de studies te lezen over hen en hun werk, weet hoe ver hun ordinaire machtswellust zich uitstrekte en hoe de kwaliteit van "hun' films heeft afgehangen van een garde onwaarschijnlijk trouwe studio-chefs, persoonlijke assistenten en andere creatieve personeelsleden. De Coens bedekken dat nu eens niet met de mantel der liefde. Ze laten zien hoe absurd proleten als deze Jack Lipnick, die soms in citaten van Jack Warner spreekt, zich misdroegen en hoe ze andermans talent misbruikten en vergooiden naar het hun uitkwam.

Barton Fink is echter nog meer dan een schrandere analyse van Hollywoods rigor mortis. Een specialisme van de Coens is het laten doorsijpelen van intense horror in een tastbare realiteit; wie hun film Blood Simple zag, kan daarover meepraten, en zelfs in hun komedie Raising Arizona speelde het een rol. In Barton Fink zindert de onderhuidse onlust al direct in huiveringwekkende, bijna mystieke camerazooms en -bewegingen, die ons bijvoorbeeld meenemen op een tocht het behang in, of langs een vrouwenrug om uit te komen in het holgapende afvoerputje van een vaste wastafel. Hun horror reserveerden ze om de enige zekerheid van hun hoofdpersoon onderuit te halen: zijn toewijding aan de kwaliteiten en noden van de gewone man, van the average working stiff zoals hij het grappend noemt. Hij houdt de gewone man het liefst buiten de deur, en heeft iemand zich naar binnen gewerkt dan verhindert zijn arrogantie hem te luisteren. Dat hoeft hij ook niet, want hij weet al dat de gewone man net zo "nobel' is als de rijke, en zijn geschriften zullen die adel aan het licht brengen. Hij wordt door de Coens gedwongen die gewone man in de ogen te kijken. Dat valt niet mee. Een vriend dacht hij, de enige die hij heeft in heel Los Angeles. Maar tot zijn ontzetting ziet hij een monster. Arm zijn, gewoon en eenzaam is een zware opgave, en eerder dan loutering is er bloed, vuur en dolgedraaide moordzucht.

De gebroeders Coen wisten in hun film het ware gezicht van Hollywood en het ware gezicht van "de gewone man' briljant met elkaar te verbinden in de scenario-opdracht voor Fink. Hij moet een worstelfilm schrijven, vindt de studio-baas, ter meerdere glorie van een spekkige filmster die de studio onder contract heeft. Om een idee te krijgen van "de formule', bekijkt de schrijver enkele scènes van een dergelijke film. Hij huivert van de klappen, hij duikt weg voor de brullende bakkesen. Hij kan er niets mee aan en dat had hem aan het denken moeten zetten. Maar zelfs wanneer zijn buurman hem het worstelen met één, al te rake, klap verklaart, heeft hij het nog niet door. Of het nu een worstelaar is of de gewone man, hij heeft geen zicht op wat hen bezielt. Over geen van beiden zal hij ooit maar één zinnige regel kunnen optikken.