ALLE MINISTERS

W.B. Secker. Ministers in Beeld. De sociale en functionele herkomst van de Nederlandse ministers (1848-1990). RU Leiden (Promotor prof.dr. H. Daalder, prof.dr. N. Cramer). Promotie 3 december 1991. Rijksuniversiteit Leiden. DSWO Press, 398 blz.

Monnikenwerk moet de voorbereiding van dit proefschrift zijn geweest. Probeer je maar eens voor te stellen wat ervoor nodig is om van alle 430 mannen en 9 vrouwen die in de periode 1848-1990 tot minister zijn benoemd (inclusief de leden van het huidige kabinet dus) precies te weten te komen wat hun sociale herkomst was en hoe hun beroepscarrière verlopen is. Ineke Secker is daarbij zo ver gegaan, dat ze ook de maatschappelijke positie van de vaders en grootvaders van de ministers in kaart heeft gebracht, evenals de soms zeer verwijderde familiebanden tussen bepaalde ministers.

Theoretisch is er aan zo'n proefschrift natuurlijk weinig te beleven, maar ik houd wel van dit soort encyclopedistenwerk. Ik kan me ook wel iets voorstellen van de trots, die mevrouw Secker gevoeld moet hebben toen ze al die mannen en paar vrouwen compleet in haar kaartenbakje had zitten. Zij is de enige die ze alle 439 persoonlijk kent en waarschijnlijk van iedereen blindelings weet in welke van de 59 kabinetten hij of zij een van de in totaal zo'n 650 ministersposten heeft vervuld. Kennis om een quiz mee te winnen, maar gelukkig is mevrouw Secker wel een stuk verder gegaan dan het simpelweg catalogiseren van alle ministers. Zij heeft zich ook afgevraagd of en hoe het profiel van de ministerskandidaat in de loop van de tijd veranderd is en in welke mate dat samenhing met de politieke en maatschappelijke veranderingen in Nederland zelf.

Sommige aspecten van het profiel zijn opvallend constant gebleven: ministers zijn vrijwel altijd mannen (Lubbers III betekende een stijging van 50% in het totale aantal vrouwelijke ministers sinds 1848, Marga Klompé was in 1956 de eerste), hebben in meerderheid een academische opleiding - dat was ook in de 19de eeuw al zo - en bekleedden voor hun benoeming tot minister al een hoge functie.

Er zijn ook opvallende veranderingen in het profiel. Tot de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 was een ruime meerderheid van de ministers afkomstig uit de aristocratie (adel en patriciaat), daarna wordt het geleidelijk aan een kleine minderheid. Aardig is dat sindsdien het sociale statusverschil tussen de ministers en hun vaders en vooral grootvaders steeds groter is geworden. De toenemende sociale mobiliteit wordt indrukwekkend zichtbaar in de carrière van een man als Colijn, zoon van eenvoudige boeren, die zonder veel opleiding in Indië als militair en bestuurder carrière maakte en in Nederland doorschoot naar de top van de Shell en de politiek. Als het had gekund, was hij het liefst allebei tegelijk blijven doen.

Steeds gebruikelijker is het geworden, dat ministers gerecruteerd worden uit het parlement zelf. Door het vrij strakke dualisme van het Nederlandse staatsbestel heeft hier nooit, zoals in Engeland of Duitsland, de situatie kunnen ontstaan, waarin ministers vrijwel zonder uitzondering ook parlementsleden zijn en blijven. Niettemin is in de laatste 25 jaar zo'n tweederde van alle ministers uit het parlement afkomstig en is de minister die ook zelf expert is op het gebied van zijn portefeuille, een zeldzame figuur aan het worden. Vroeger was de Minister van Defensie vrijwel altijd een militair, nu is dat bijna nooit meer het geval. Het politieke karakter van de ministersfunctie is steeds meer op de voorgrond komen te staan.

Behalve als parlementariër of plaatselijk bestuurder hebben veel ministers ook ervaring als (hogere) ambtenaar of (hoog)leraar. Uit de advocatuur en het bedrijfsleven komen weinig ministers. Een uitzondering vormen bestuurders van werkgeversverenigingen (zoals Andriessen) of vakbonden (zoals Kok). Voor werkgevers valt het ministerschap overigens bijna per definitie in de klasse van "goede banen waar geld bij moet'.

Zonder eigen kapitaal was het vroeger erg moeilijk minister te zijn, het salaris bleef zelfs bijna 100 jaar onveranderd (twaalfduizend gulden per jaar). De honorering is vergeleken met het bedrijfsleven nog steeds niet erg concurrerend te noemen. In een aantal gevallen is het ministerschap wel een goede opstap gebleken naar het bedrijfsleven. Terug in de politiek keert men dan bijna nooit meer.

Er zijn vanaf 1848 altijd katholieke ministers geweest, maar hun aantal is in de negentiende eeuw evenals hun inbreng zeer bescheiden gebleven. De R.K. Eeredienst (lang een apart ministerie) mochten ze doen en ook wel Buitenlandse Zaken, dat pas na de Tweede Wereldoorlog echt belangrijk zou worden. De meeste ministers - bijna de helft - waren hervormd, vanaf 1918 wordt het katholieke aandeel belangrijk en na 1967 neemt ook het aantal ministers zonder godsdienst snel toe. De aard van het Nederlandse politieke bestel maakt dat de invloed van christelijke en katholieke ministers nog steeds veel groter is dan de (huidige) belangstelling voor hun religies onder de bevolking.

Over de hele periode gezien hebben de liberalen de meeste ministers geleverd (138), in meerderheid in de 19de eeuw, gevolgd door de katholieken (85) en de antirevolutionairen (55). De socialisten leverden in totaal niet meer dan 38 ministers, voor het eerst in 1939. Partijloze ministers zijn er na 1967 niet meer geweest, maar zeker in de negentiende eeuw werd het verschil tussen partijloze en "partijdige' ministers nog niet als erg belangrijk gezien. Pas na 1880 groeit de politieke partij geleidelijk uit tot de belangrijkste politieke kracht. Het wordt dan ook steeds moeilijker om zonder carrière in de partij toch carrière in de politiek te maken.

Mevrouw Secker heeft zich veel moeite gegeven na te gaan in hoeverre familiebanden en familietradities een rol hebben gespeeld bij het kiezen van een politieke loopbaan en het verwerven van een ministerspost. Het feit dat juist de familie Drees nogal wat leden telt die hoge politieke posten hebben bekleed, wijst er wel op, dat "families in de politiek geenszins automatisch familiepolitiek' inhoudt. Wel is zeker in de 19de eeuw te zien dat bepaalde aristocratische geslachten politiek - en waarschijnlijk ook diplomatiek - opvallend aanwezig zijn. Van enigerlei vorm van nepotisme is op het niveau van de landelijke politiek nergens sprake, al is het niet vreemd dat veel ministers voortkwamen uit politiek geïnteresseerde en actieve families en gezinnen.

Over het persoonlijke en gezinsleven van de ministers komen we weinig te weten. Het beeld zal hier ook wel erg eenvormig zijn geweest. Tot voor zeer kort waren vrijwel alle ministers mannen tussen de veertig en zestig jaar, achter wie een vrouw uit een eerste huwelijk en een intact gezin gedacht mag worden. Dat is inmiddels wel wat veranderd, er zijn wat meer vrouwen ministers en er zijn gescheiden ministers, maar iets als homoseksualiteit mag bij een minister toch nog altijd niet meer dan een gerucht zijn.

Uit het boek van mevrouw Secker blijkt, dat het ministerschap zelf steeds aan verandering onderhevig is. Een van de meest opvallende aspecten daarvan in deze eeuw is de geleidelijke verzwaring van de positie van de minister-president (vroeger de "eerste-minister' geheten). Zijn centrale rol in het kabinetsbeleid is nog steeds niet onomstreden, zoals nog regelmatig blijkt uit de competentieschermutselingen tussen de minister-president en de minister van buitenlandse zaken. De tijd van een tijdelijk en roulerend voorzitterschap van de ministerraad is echter allang voorbij en in een aantal opzichten begint het ambt van minister-president bondskanselierachtige trekken te vertonen.

Al waren de departementen toen zeer veel kleiner dan nu, toch werd ook in de negentiende eeuw het ministerschap al beschouwd als meer dan een dagtaak. Ook toen moest een minister er al op rekenen in de Tweede Kamer op het matje te worden geroepen - zij het lang niet zo vaak als nu -, maar met de media en het publiek hoefde hij toen veel minder rekening te houden.

Tot de komst van de televisie waren bewindslieden eigenlijk zeer onzichtbare figuren. Een publiek ambt maakte iemand nog niet tot een publiek persoon, een ondenkbare bestaansvorm voor een traditionele vertegenwoordiger van de hogere burgerij en de aristocratie. De krant mag een meneer zijn, maar publiciteit geldt in de betere kringen nog altijd als niet chic.

Een zwak punt van de studie van mevrouw Secker is dat de ministeriële carrière zelf niet in beeld komt en dat we over de verdere lotgevallen van de ministers in en buiten de politiek bijna niets te weten komen. Het is een bewust gevolg van haar keus om de eerste benoeming tot minister als uitgangspunt te nemen. Ook de 36 staatssecretarissen die Nederland sinds 1949 heeft gekend, komen alleen aan de orde voorzover ze daarvoor of daarna minister zijn geworden. Dat geldt voor 30 van hen, minder dan ik had verwacht. Ik was ook benieuwd of zij qua herkomst en achtergrond verschillen van in dezelfde tijd benoemde ministers. De vraag is verder of de door mevrouw Secker onderscheiden herkomstvariabelen nog nieuwe informatie opleveren, als zij in relatie gebracht worden met de politieke loopbaan van ministers en staatssecretarissen na hun entree op hun eerste departement.

Het zou ten slotte ook interessant zijn eens wat meer te weten over de tijd na de ministersloopbaan. Dat sluit aan op een opmerking. Mevrouw Secker zegt het zelf: ""Veel minder dan vroeger werd het ministerschap aangeboden aan deskundigen die het einde van hun maatschappelijke loopbaan zagen naderen. Het ministerschap is daarmee minder tot eindstation van een loopbaan in met name de publieke sector, maar een - belangrijke - "tussenfase'.''