West- en Oosteuropese economieën convergeren, te beginnen bij staal

BRUSSEL, 15 JAN. Uit de nagelaten boedel van het Nederlandse EG-voorzitterschap verscheen vorige week een nota over de situatie in de voormalige USSR. Stelling nummer 41 uit het rapport luidt dat “zou kunnen worden overwogen” dat de Gemeenschap haar markt openstelt. “Ondersteuning van de economische transformatie van de nieuwe Staten opdat deze op internationaal vlak concurrentieel gaan produceren, zou niet erg zinvol zijn als zij vervolgens geen markt zouden hebben waarop zij hun produkten kunnen afzetten”, heet het in de nota.

In diplomatiek voorzichtige bewoordingen raakt deze passage wel de kern van het vraagstuk waarmee de EG is geconfronteerd nu de Sovjet-Unie niet alleen heeft opgehouden te bestaan, maar de nieuwe republieken ook in meerderheid het pad van de vrije vraag en aanbod-economie lijken op te gaan. Onvermijdelijk leidt dat pad richting Westen, richting Brussel.

Volgende week wordt in Washington de grote internationale conferentie gehouden over hulpverlening aan de voormalige Sovjet-Unie. Meer dan vijftig landen en organisaties zullen praten over het geven van noodhulp aan de nieuwe republieken. Dat is uitermate belangrijk, maar het is uiteindelijk niet waarom het in de toekomstige relatie tussen de nieuwe republieken en met name de Europese gemeenschap zal gaan. "Trade, not aid', luidt het dogma, en "trade' zal de structurele relatie tussen West en Oost in Europa bepalen.

Wat dat betreft heeft de implosie van het Sovjet-blok de problemen voor de EG als grootste handelsblok in de wereld er een stuk breder en dus boeiender op gemaakt. Tot dusver stond, en staat op dit moment in Genève, vooral de landbouw in de belangstelling. In hoeverre zal de EG er in slagen om in de huidige Gatt-onderhandelingen haar gemeenschappelijke landbouwbeleid (inclusief exportsubsidies en inkomenssteun aan de boeren) overeind te houden, is daarbij de vraag.

Nu de Russen, de Witrussen, de Oekraïeners en al die andere inwoners van de oude Sovjet-Unie het voorbeeld volgen van de Polen, de Tsjechoslowaken en de Hongaren zal de druk op de Europese landbouw alleen maar groter worden. En zullen niet alleen de Westeuropese boeren merken dat de wereld ingrijpend is veranderd. Zoals volgens de leerboekjes was te verwachten, hebben de eerste schermutselingen plaats aan de onderkant van de economie: daar waar de basisindustrieën zich bevinden.

Veelbetekenend is in dit verband het persbericht dat de overkoepelende organisatie van (West)europese staalfabrikanten, Eurofer, begin deze week op de telex zette. Met Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije heeft de EG eind vorig jaar zogenoemde Europa-akkoorden gesloten. Die voorzien in ruime toegang voor produkten uit die landen op de EG-markt. Wat is nu de klacht van Eurofer: staalproducenten in die landen vatten de akkoorden op als een uitnodiging om tegen afbraakprijzen staal te exporteren naar de EG waardoor onze industrie in gevaar komt. Ziedaar het klassieke dilemma: "aid' of "trade'.

Al eerder hebben de Westeuropese fabrikanten van aluminium aan de bel getrokken bij de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de EG. In de oude commandostructuur moesten producenten in de Sovjet-Unie voldoen aan van boven af opgelegde produktiedoelstellingen. Slimme ondernemers in de voormalige Sovjet-Unie zorgden er dan ook voor een voorraad achter de hand te hebben om tegenvallers op te vangen. Nu het allemaal anders gaat, brengen de Russische en andere aluminiumsmelterijen hun voorraden op de Westerse markt. Ze dumpen die, zeggen de EG-fabrikanten. Twee jaar geleden noteerde aluminium nog 2.700 dollar per ton op de Londense grondstoffenbeurs, nu ligt de prijs tussen de 1.100 en 1.200 dollar. Die ontwikkeling heeft fabrikanten als het Nederlandse Hoogovens ertoe gedwongen de produktie te verminderen. Hoogovens heeft ook het plan een nieuwe smelterij te bouwen op IJsland in de ijskast gestopt.

Officieel vragen de Westeuropese aluminiumfabrikanten, verenigd in de in Düsseldorf gevestigde European Aluminium Association, Brussel om de nieuwe handelspartners exportquota's op te leggen. Maar zij weten ook dat zo'n verzoek niet gauw zal worden ingewilligd. Het zo openlijk aan banden leggen van de handel van de nieuwe republieken zou wel erg contrasteren met de verbale bijval die die landen krijgen in hun toenaderingspogingen tot de vrije markteconomie. De export van aluminium naar de EG levert de voormalige Sovjet-Unie ongeveer 1 miljard harde dollars per jaar op. Zou de EG dat commerciële inkomenstenkanaal grotendeels dempen, dan is zij moreel verplicht dat verlies te compenseren door het geven van extra hulp. Die moet dan komen uit de zak van de belastingbetaler, en geen enkele regering staat daar op te wachten.

De aluminimumfabrikanten kiezen daarom voor een andere benadering, die van de gereguleerde handel. Het liefst zouden de fabrikanten zelf afspraken maken met de nieuwe concurrenten in het Oosten, over langlopende afnamecontracten, maar ook over Westerse investeringen om de verouderde en milieuvervuilende fabrieken in Rusland en de andere republieken te moderniseren. Het voorbeeld levert de autoindustrie waar fabrikanten als Volkswagen, Mercedes, Fiat en General Motors investeren in het voormalige Oostblok. De aluminimumfabrikanten willen vooraf wel het groene licht van de Europese Commissie voor dergelijke gesprekken: ze willen niet achteraf worden beschuldigd van oneerlijke concurrentiepraktijken als ze gezamenlijk overeenkomsten sluiten met partners in Oost-Europa, waarin handel en investeringen worden geregeld.

Zo worden langzamerhand de contouren zichtbaar van de toekomstige relatie tussen Oost en West in Europa. De markteconomie rukt op op het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie, maar de "kapitalistische' ondernemers in het Westen zijn er als de kippen bij om elementen van sturing en planning te introduceren. Het stelsel van de markteconomie en dat van de geleide economie groeien naar elkaar toe, econoom en nobelprijswinnaar Tinbergen heeft dat lang geleden al voorspeld.