"Wat wil de EG eigenlijk nog van ons?'

LJUBLJANA, 15 JAN. “Heeft jullie minister Van Den Broek al iets beslist”, zo luidt vandaag de eerste vraag van de krantenverkoopster als ik mij voor het dagelijkse stapeltje kranten bij de kiosk meld. Als niet naar behoren wordt gereageerd wordt ze zichtbaar boos. “Jullie hebben dat toch beloofd? Het is vandaag de vijftiende!”. Gehaast duwt ze de kranten in een tasje en draait zich demonstratief om.

In het vlakbij de redactieburelen van het dagblad Delo gelegen journalistencafé is de erkenning van Slovenië eveneens het enige thema. Met ongeduld wachten de bezoekers op het nieuws van negen uur. Delo's commentator, Boris Jez, maant tot stilte als het wordt aangekondigd. In het café kan men een speld horen vallen. “Vandaag is een historische dag in de geschiedenis van het nog jonge zelfstandige Slovenië”, zegt de nieuwslezer plechtig, en langzamer dan anders leest hij het nieuws voor. De Duitse regering, die Slovenië en Kroatië al op 19 december erkende, heeft voorgesteld de consulaten in Ljubljana en Zagreb om te zetten in ambassades, meldt hij. Het bericht dat de Portugese voorzitter van de EG-ministerraad heeft verklaard dat de twaalf lidstaten vandaag gezamenlijk Slovenië en Kroatië zullen erkennen, wordt met applaus begroet. Als de correspondent in Brussel echter bericht dat er nog niets beslist is en de kans groot is dat er vandaag ook niets beslist wordt omdat de EG-ministers pas morgen of overmorgen bijeen komen, valt er opnieuw een stilte. Boris, cynisch: “Jammer dat we geen atoombom hebben, met de republieken van de voormalige Sovjet-Unie kon het allemaal wel in een paar dagen geregeld worden.”

De commentator van Delo drukt het ongenoegen van de Slovenen uit over de besluiteloosheid en het getreuzel van de EG. De Slovenen steken niet onder stoelen of banken dat ze het gevoel hebben dat zij door de Europese landen voor de gek gehouden worden. “In Slovenië woedt geen oorlog, we hebben onze zaakjes met de Italiaanse en Hongaarse minderheden keurig geregeld en we hebben ons eigen leger en geld, wat willen zij eigenlijk meer in Europa?”, luidt een vraag die de buitenlander hier dagelijks wordt gesteld.

Dat Slovenië een dezer dagen zeker erkend wordt stelt hen niet gerust. “Als het zo zeker is, waarom zeggen ze dan niet duidelijk wie wanneer tot erkennen overgaat?”, vraagt men zich in het journalistencafé af. Bijzonder boos is Boris op de Italianen. De Italiaanse onderminister van buitenlandse zaken, Claudio Vialone, weigerde gisteren in te stemmen met een memorandum over de bescherming van de Sloveense minderheid in Italië. De Sloveense minister Dimitrij Rupel zal daarom vandaag niet naar Rome vliegen om het memorandum over de bescherming van de Italiaanse minderheid in Slovenië te ondertekenen. Rupel eiste gisteren tevergeefs dat Rome de Sloveense minderheid in dat land de zelfde rechten geeft als de Italianen in Slovenië hebben.

Ik probeer de discussie een optimistische wending te geven door er op te wijzen dat naast Duitsland, Slovenië al is erkend door de Baltische staten, de Oekraïne, IJsland, het Vaticaan en San Marino. Het kan de stemming niet verbeteren. “Doe Van Den Broek de groeten en zeg hem dat wij de champagne al koud hebben staan”, roept Boris schamper.